Als interesses samenkomen: boekrecensie: Veilig bij God ***

Veilig Bij God combineert twee van mijn belangrijkste interesses: geloof en autisme… En Veilig bij God is een vrij interessant boekje geworden, met een bijzonder goede uitleg over de triade, en dat niet voor een boekje over geloof, maar in het algemeen.

Het boekje dat maar 182 bladzijden beslaat en deel uitmaakt van de pastorale uitgaven van Groen (niet verwant aan de politieke partij), staat bol met ervaringen van mensen met autisme over het geloof, die geen blad voor hun mond nemen, maar is geschreven door enkele deskundige psychologen en praktisch theologen. Door hun beelddenken en gebrek aan inbeelding zou het voor mensen met een ASS (zo constant genoemd trouwens in het boek) vaak moeilijker kunnen zijn om God voor te stellen. Hoe we God voorstellen heeft trouwens vaak ook te maken met onze eigen ervaringen, als we b.v. streng zijn opgevoed kan God als strenge, rechtvaardige vader meer de bovenhand krijgen dan zijn barmhartigheid en genade. Als we geen liefde hebben ontvangen van onze eigen vader, kan het zeer moeilijk zijn om God als Vader in ons leven toe te laten en zijn liefde te ervaren.

Als praktisch theoloog ben je geen psycholoog. Het is dan ook niet je taak om buiten de context van de kerk, vind ik, oplossingen aan te bieden, als er al oplossingen bestaan voor veel problemen waar mensen met een ASS tegenaan lopen. Zelf heb ik een bijzonder grote hekel aan de oplossingsgerichtheid van bepaalde hulpverleners. Soms als je tegen een muur botst van je beperking dan wil je gewoon een schouder om op te huilen, geen kant en klare antwoorden. Je wilt dat mensen begrijpen dat het nu even moeilijk gaat.

Dit boek probeert dan ook vooral een wegwijzer te zijn voor pastors, jeugdleiders, predikanten voorgangers om de kerkgang voor mensen met een ASS zo vlot mogelijk te laten verlopen. Om ook hen thuis te laten komen in de Kerk. Want dat is volgens mij het belangrijkste: de Kerk moet voor elke gelovige, en zelfs voor iemand die niet gelovig is, een thuis genoemd kunnen worden. Daarom worden in dit boekje ook niet de andere kerkgangers vergeten, zonder leidersfunctie binnen de kerk, want ook zij maken deel uit van de Kerk en kunnen iemand zich er laten welkom voelen.

Het boekje is vooral gericht naar jongeren heb ik het idee, al handelen bepaalde stukken ook over volwassenen, en zelfs over partners van mensen met een ASS. Een aanrader dus voor iedereen die met mensen met een ASS in aanraking komen binnen de kerk.

Zelf vind ik dat ik in de Kerk goed ontvangen wordt. Soms heb ik het gevoel dat ze meer van me willen dan dat ik kan geven, maar dat ligt niet bijzonder aan hen, vind ik, maar eerder aan mezelf. Communicatie, vrienden maken, dat vind ik bijzonder moeilijk, en dan gaat het vaak eens de mist in, als iemand met me wil afspreken, of als we een afspraak moeten maken voor voordiensten of predikingen. Toch herinner ik me heel veel warmte in de kerk… Voor Corona b.v. werd er in de Kerk af en toe een maaltijd georganiseerd. Systematisch ging ik me eigenlijk altijd alleen gaan zetten, omdat ik het nogal opdringerig vond om me ergens bij aan te sluiten, maar altijd is er wel iemand die me in de groep betrekt. Ze weten dan misschien weinig van autisme en hoe het zich manifesteert in mij, maar die moeite dat ze doen voor mij, ontroert mij.

Veilig bij God
2011 (tweede druk)
182 p.
Uitgeverij Groen
https://www.bol.com/nl/p/veilig-bij-god/1001004007516011/?bltgh=p2u3m1AquEr0qt-U9gBBGQ.2_9.10.ProductImage

Het maken in het leven

Inleiding

Als antwoord op een artikel in de morgen zei Magali De Reu in een radio 1 programma, de volgende zin: “Ik ben niet succesvol ondanks, maar dankzij mijn autisme.” Het zorgde voor een schitterende kop op verschillende websites. En dat is het natuurlijk ook, een schitterende kop, maar de werkelijkheid is volgens mij een stuk genuanceerder. Waarom ik dat denk wil ik hier graag uitleggen.

Wat is succes?

Succes is geen objectief gegeven hoe graag we dat ook willen geloven. Dat zou willen zeggen dat we mensen zouden kunnen indelen in mensen die succesvol zijn en mensen die niet succesvol zijn. Dan moeten we nog enkel de graadmeter voor succes vinden. De Vandale geeft als uitleg bij succes: “iets dat goed afloopt”, maar dan moeten we ons weer de vraag stellen: waar trekken we de grens? Als we als goede afloop het slagen in het basisonderwijs nemen, zullen er een stuk meer mensen succesvol zijn dan als we als graadmeter nemen “slagen voor een doctoraat”… Of in geld: de goede afloop is geen geldzorgen, of de goede afloop is een miljoen verdienen… Succes kunnen we dus niet meten naar objectieve maatstaven.

Eigenlijk is succes vooral een gevoel dat zich vaak door je verwachtingen en dromen laat bepalen. Hoe lager je dromen hoe gemakkelijker je het gevoel kan krijgen succesvol te zijn. Ik b.v. droomde er als jongere van schrijver, maar vooral acteur te worden. Ik heb zelfs theaterschool gevolgd. Maar ik ging er, zoals met zoveel kapot aan de stress. Op een gegeven moment heb ik via auditie een hoofdrol en een bijrol bemachtigd in series, de ene serie werd uiteindelijk afgevoerd omdat ze geen subsidies kregen, de andere serie werd afgevoerd omdat de VRT (toen nog BRTN) het te duur vond. Je kan je indenken hoe teleurgesteld ik was. En nog steeds meet ik mijn succes hieraan, zodat ik al heel mijn leven het gevoel heb mislukt te zijn. Maar intellectueel weet ik ook dat ik toch het een ander bereikt heb, waar ik trots op mag zijn.

Toch hebben we ook altijd de neiging ons succes te meten aan die van anderen. Meer nog, we gaan vaak kijken naar mensen die in de kijker lopen. We gaan het aantal volgers van onze favoriete influencers op Instagram of Twitter meten met onze eigen volgers, of we kijken naar de schoonheid van een actrice en bekijken onszelf in de spiegel door die bril.

Dat is niet alleen iets dat we bij onszelf doen, maar dat we onze kinderen ook inpompen. Zo had je vroeger een opendeurdag waar de kwaliteiten van de kinderen tentoongespreid werden, nu is dat vervangen door een schoolfeest, waar je vooral de podiumkwaliteiten van je kind kunt meten. Die dansjes en liedjes trekken meestal op niet veel, en toch hoor je de ouders constant zeggen: “O, je was zo geweldig.”

Om een (belangrijk) voorbeeld te noemen. In dezelfde week als Steve Jobs is ook Dennis Ritchie, iets ouder, gestorven. Op Facebook zag ik de krantenkoppen en posts voorbij komen over welk groot verlies Steve Jobs was. Prompt werden er niet één, maar twee films van Steve Jobs gemaakt. Van Dennis Ritchie, is geen film gemaakt, buiten de gespecialiseerde literatuur werd zijn dood niet op de eerste pagina’s vermeld. Toch is Dennis Ritchie uitvinder van de taal C (één van de belangrijkste talen uit de softwaregeschiedenis) en indirect de uitvinder van Unix, wiens ideeën b.v. ingebeiteld zijn op de meeste webservers tot in de ruimte toe. Dennis Ritchie heeft dus een belangrijkere rol gespeeld in de vooruitgang van technologie dan b.v. Steve Jobs, die vooral profiteerde van veel “minder” succesvolle mensen. Als je het dan ook mij, als softwaredeveloper en techneut vraagt vind ik het succes van Dennis Ritchie een stuk belangrijker dan die van Steve Jobs.

Tevredenheid

Ik heb het hier al meer vermeld, maar ik wil het nog eens doen; in mijn laatste jaar professionele Bachelor Toegepaste Informatica was ik uitgenodigd op de Tech Days van Microsoft in Brussel. De keynotes werden afgewisseld met pittige presentaties van influencers die ons allemaal op het hart drukten dat we de nieuwe Zuckerberg of Gates konden worden. Dat leek het doel te zijn van onze opleiding. Maar de meesten van ons zijn in de anonimiteit terecht gekomen en werken in loondienst aan een programma. We hebben vaak een mooie firmawagen, een mooi loon en andere extralegale voordelen, maar we zijn geen Zuckerberg of Gates geworden. Zijn we dan minder succesvol?

Het geheim ligt eigenlijk in geluk en tevredenheid. We worden bij onze geboorte in een zee geworpen en we moeten roeien met de riemen die we hebben. Het leven bestaat dan ook uit tijden van geluk en tijden van ongeluk. Laat dan ook de tijden van ongeluk niet overheersen; kijk niet naar wat zou kunnen, maar naar wat is. Dat wil niet zeggen dat je niet mag dromen, maar wel dat je probeert tevreden te zijn met het nu. Elke goede afloop is een overwinning hoe klein ook: het slagen voor je middelbare diploma, een job vinden, trouwen, kinderen krijgen, je kind zijn eerste stapjes zien zetten, je moeder knuffelen. Of een goed boek lezen, een goede film kijken. Wees tevreden over elke stap die je neemt, en meet je niet aan anderen, als je je zou vergelijken met een bijzonder arm gezin in Afrika, dan ben je bijzonder succesvol in verschillende opzichten ten opzichte van dat gezin, en toch zijn ook daar gelukkige gezinnen.

Misschien gaat het dus veel minder over succesvol zijn, alswel gelukkig zijn. En dat kan pas echt goed wanneer je tevreden bent met jezelf en je omgeving.

Dankzij of ondanks

Ik vind de uitspraak om iets te bereiken dankzij of ondanks je autisme iets te zwart-wit. Autisme is een diagnose die gesteld wordt via gedrag en die in de DSM V wordt besproken als een combinatie van moeilijkheden en vervolgens wordt de ernst ervan gemeten naar de hulpvraag van de persoon met een diagnose ASS.

Dankzij of ondanks je autisme is een beetje zoals zeggen dat een kampioen in rolstoeldansen dankzij zijn verlamdheid kampioen is geworden in rolstoeldansen. Op de letter heeft die persoon natuurlijk gelijk, want waarschijnlijk zou die persoon niet aan rolstoeldansen begonnen zijn als hij niet in een rolstoel zat. Toch is zijn succes niet alleen, en misschien vooral, aan andere dingen danken dan het feit dat hij verlamd is: zijn doorzettingsvermogen, minder sterke kandidaten, talent in de sport…

Zo is het ook met ASS. Het is misschien nog net iets genuanceerder dan bij de persoon met een verlamming, omdat ASS vaak onzichtbaar is. ASS heeft natuurlijk enkele kwaliteiten waar bepaalde bedrijven zoals Passwerk in België of Autitalent in Nederland handig gebruik van maken om hun product aan de man te brengen. Er zijn dus kwaliteiten verbonden aan ASS die sommigen kunnen uitspelen, maar dat verhindert niet dat we het niet langer als een beperking moeten beschouwen, waar vele personen met een ASS hulp bij nodig hebben en die voor veel personen met een ASS ook de kwaliteit van hun leven hebben verminderd. Iemand die blind is b.v. heeft ook bepaalde kwaliteiten (dankzij zijn blindheid): hij heeft een bijzonder sterk gevoel en zijn gehoor is bijzonder verscherpt… Maar dat wil niet zeggen dat hij niet beperkt is en dus bepaalde dingen liever kan laten. Zo zou ik zelf niet direct in een auto gaan zitten met een persoon die blind is aan het stuur, hoe goed hij dan ook hoort. Beperking is ook geen waardeoordeel… Als heel de wereld blind zou zijn, zou een blind persoon geen beperking hebben. Beperkingen worden gemeten naar de meerderheid. De wereld is nu eenmaal afgestemd op een middelmaat. Daarom zijn deuren ongeveer twee meter groot, als je een halve meter bent geraak je amper aan de klink en als je twee meter tien bent moet je opletten niet tegen het kozijn te stoten. Als je in een dorp woont waar de meerderheid een halve meter lang is dan waren de deuren een meter en de klink op borsthoogte van een persoon van een halve meter, daar zou ik als persoon met mijn 1m73 bijzonder fel in de problemen komen.

Ik zeg dat het in ASS genuanceerder is omdat er geen twee personen met ASS dezelfde talenten en dezelfde interesses hebben. Paul Danneels stelde b.v.: “Passwerkers (nvr dit zijn mensen die bij Passwerk werken) zijn beslagen in een specialistische aanpak en kunnen zonder problemen repetitieve zaken aan.” Dat wordt vaak overgeheveld naar een kenmerk van ASS: genieten van repetitieve zaken. Als de VDAB hier rigide in meegaat worden alle personen met een ASS aan een lopende band gezet. Wel, persoonlijk verveel ik me bij repetitieve zaken dood. Ik ben een bijzonder creatief persoon en ik heb graag dat ik veel kan afwisselen tussen taken, heb ik dan minder ASS dan een persoon bij Passwerk (waar ik trouwens ook zelf heb gewerkt)? Dat het niet voor iedereen is, weet trouwens Passwerk ook; het is niet voor niets dat er zo’n strenge ingangseisen zijn en dat de kwaliteiten van de persoon met ASS getest worden.

Daarom is een kop als deze van Fons Leroy volgens mij een stuk meer waarheid, maar waarschijnlijk een stuk minder spectaculair: “Iedereen heeft talent!”

Boekrecensie: Leaving the witness – Amber Scorah ****

Amber Scorah, inmiddels een student aan Harvard Divinity School (in iets van Religie en Samenleving), heeft met Leaving the witness – Exiting a Religion and Finding a Life, een interessant, maar eigenlijk vrij triest boek geschreven over het verlaten van de Jehovah’s Getuigen. Haar geloofstwijfel kwam er op een niet bijzonder gemakkelijk moment, namelijk midden de tijd dat ze missionaris was in China (voor de Jehovah’s Getuigen natuurlijk). Maar ze beschrijft wel mooi hoe eigenlijk juist de omgeving van China die geloofstwijfel mogelijk maakte. In China, juist door de verbodsbepalingen, golden niet dezelfde regels voor Jehovah’s Getuigen als dat hier in het westen wel het geval was. Zo wordt er langs hier afgeraden om wereldse (dat zijn mensen die niet tot de religie behoren) vrienden te maken, wordt er twee dagen in de week naar een koninkrijkszaal gegaan en wordt er verder georganiseerd gepredikt. Al dit vond/vindt in China niet plaats. Daar wordt aangeraden om zoveel wereldse vrienden als mogelijk te maken, die uiteindelijk tot je potentieel predikingsgebied behoren en wordt er enkel op zondag in het geheim aanbeden. Ook het prediken gebeurt er heel informeel. De Bijbel wordt er pas ter sprake gebracht wanneer zeker is dat dit kan en je niet te maken hebt met spionnen van de regering. Hierdoor hebben Jehovah’s Getuigen in China een iets grotere vrijheid en ruimte om eigen denkbeelden te ontwikkelen dan dat Jehovah’s Getuigen hier in het Westen hebben.

Uiteindelijk krijgt ze het voor elkaar een boeiende job als podcast-medewerker en uiteindelijk ook als presentator in de wacht te slepen. Op die manier ontmoet ze een Amerikaan, ver van China verwijderd, namelijk in Los Angeles waar ze bijna dagelijks begint mee te communiceren. Uiteindelijk komt ook het onderwerp van geloof ter sprake en krijgt hij het voor elkaar om twijfel in haar hart te zaaien. Persoonlijk vind ik zijn argumenten nogal ondermaats en verbaast het me dat een “overtuigd” Jehovah’s Getuige zich door zulke argumenten om te tuin zou laten leiden. Ik heb dan ook het gevoel dat ze nooit een bijzonder “overtuigde” Jehovah’s Getuige is geweest. Ze werd in haar kindertijd door haar grootmoeder (haar ouders waren inactieve getuigen) meegesleept naar de vergaderingen waar ze vooral een angst voor armageddon kreeg en het gevoel erbij te horen wel erg kon smaken. Uiteindelijk werd ze voor een eerste maal uitgesloten wegens hoererij, maar voelde ze zich in de wereld niet zo goed. Uiteindelijk keert ze terug door deze de liefde met die man op te geven. Eigenlijk bijzonder treurig omdat ze zelfs op haar huwelijk eigenlijk veel meer voelt voor die persoon die ze opgegeven heeft dan voor haar eigen man.

Het boek heeft een mooi relaas over haar tijd als Jehovah’s Getuige, maar ook de tijd er kort na in China, een communistisch land waar het niet vanzelfsprekend is om gelovig te zijn. Verder maakt ze ook heel duidelijk dat ze spijt heeft nooit gestudeerd te hebben (dit wordt binnen de contreien van Jehovah’s Getuigen afgeraden), wat ze tegenwoordig bijzonder goed probeert te maken.

Het boek is heel goed geschreven, maar soms dreigt ze te fel uit te weiden, ook over Chinese gewoontes, waardoor er hier en daar wel een saai stukje in te vinden is (maar misschien is dit eerder smaak). Maar bovenal is het een diep treurig verhaal van een meisje dat precies nooit haar plaats in de wereld weet te vinden. Ik hoop dat ze dat nu, als volwassen afvallige Jehovah’s Getuigen met een kindje wel heeft weten te vinden.

Leaving the Witness: Exiting a Religion and Finding a Life
Publicatiedatum: 2019
Uitgeverij: Viking
Hardcover 288 pp.

Overdenkingen omtrent een vak als LEF van Patrick Loobuyck

Inleiding

Al zowat een decennium pleit Patrick Loobuyck voor een herziening van het levensbeschouwelijk onderwijs, vooral door het promoten van zijn nieuwe vak LEF: levensbeschouwing, ethiek en filosofie. Pas dit jaar lijkt met het regeerakkoord van 2019 eindelijk een opening te zijn om dit verder uit te breiden. In het regeerakkoord werd namelijk opgetekend dat scholen in de derde graad van het middelbaar onderwijs kunnen kiezen voor ofwel twee uur levensbeschouwelijk onderwijs, zoals het nu is, of één uur levensbeschouwelijk onderwijs en één uur interlevensbeschouwelijke dialoog.1 Vele leerkrachten levensbeschouwelijk onderwijs zijn (terecht) bezorgd over hun aanstelling, maar ook hoe ze in één uur de educatie moeten geven die wenselijk is. Zo stelt een persbericht van de vrijzinnigen: “Om kwaliteit levensbeschouwelijk onderwijs te garanderen met respect voor mensenrechten, kinderrechtenen democratische principes, plus het verderzetten van de interlevensbeschouwelijke dialoog, zijn twee lestijden een must”. (de mens: 2019) Verder is de burgerschapseducatie, net zoals LEF trouwens, bijzonder vaag over wie het nu zou geven en wat het nu zou inhouden. Het één uur interlevensbeschouwelijke dialoog is een stap in de richting van LEF, maar uiteindelijk is het nog zeker geen LEF, laten we daar eerlijk over zijn. Eerder lijkt het een tegemoetkoming van een aantal voorstellen, beginnend met die van Flahaut (PS), toenmalige federaal minister van Ambetenarenzaken, die al dateert van 1998. (Loobuyck, Franken, 2009, p. 48)

LEF wil alle levensbeschouwelijk onderwijs vervangen. Dat dit niet zomaar mogelijk is, beseft ook Patrick Loobuyck, want recht op levensbeschouwelijk onderwijs is verankerd in de grondwet. Dat is natuurlijk historisch zo gegroeid, juist vooral door de tegenstellingen tussen ongelovigen en gelovigen (liberalen en katholieken), die in twee schoolstrijden werden beslecht en uiteindelijk resulteerde in het schoolpact in de jaren ‘50, waar overeen werd gekomen dat zowel officiële als vrije scholen werden erkend, ouders hierin keuzevrijheid genoten, er waarborging zou zijn dat vrij onderwijs gesubsidieerd zou blijven, en dat leerlingen in zowel het lager als het middelbaar onderwijs een keuze uit godsdienstonderricht in de Katholieke, protestantse of Israëlische godsdienst konden maken of konden kiezen voor niet-confessionele zedenleer. In 1974 werd Islamitische godsdienst aan deze lijst toegevoegd, en vanaf 1985 de Orthodoxe godsdienst.

Loobuyck hekelt dan ook dit aspect van de grondwet, hij stelt dat “de tekst (in de grondwet) misplaatst is. Een grondwet dient om een kader van grondrechten en staatskundige uitgangspunten te definiëren, niet om vakken in het onderwijs vast te leggen.” (Loobuyck, 2018, p. 2) Hij heeft hier een punt, maar godsdienstvrijheid is ook een mensenrecht. En volgens sommigen is het juist hieraan dat Loobuyck probeert te tornen.

Over de grondwet stelt dan ook Loobuyck: “Hoewel er grondwetsspecialisten zijn die argumenteren dat het facultatief maken van de levensbeschouwelijke vakken mogelijk is binnen het huidige grondwettelijke kader (naar de letter staat er immers enkel dat de officiële scholen de vakken moeten aanbieden), druist de gedachte van facultatieve levensbeschouwelijke vakken duidelijk in tegen de bedoeling van de grondwetgever.” (Loobuyck, 2014, p. 97) Daarom zou hij ook graag die artikelen uit de grondwet willen vervangen door: “Alle scholen erkend door de betreffende gemeenschap bieden, tot het einde van de leerplicht, onderricht aan in de mensenrechten, in de uitgangspunten van de Belgische liberale rechtsstaat en van het samenleven in diversiteit op basis van grondrechten, vrijheid, gelijkheid, wederkerigheid en solidariteit.” (Loobuyck, 2018, p. 2) Het lijkt mij echter niet nodig om nog eens deze punten in de grondwet te benadrukken wat het onderwijs betreft, want deze staan elders in de grondwet al aangegeven, en deze aanpassing lijkt mij aan dezelfde kritiek onderhevig als dat Loobuyck al geeft op de oorspronkelijke tekst. Waarom wel grondwettelijk verankeren dat het onderwijs de mensenrechten zou aanleren, en niet dat elke jongere recht heeft op degelijk, levensbeschouwelijke vorming?

Verder stelt Lien Kleykens b.v. in haar masterthesis dat het onrealistisch is om levensbeschouwing op school af te schaffen. “Levensbeschouwingen zijn altijd, in zekere mate aanwezig in het onderwijs. Er zullen namelijk altijd leerlingen zijn die een levensbeschouwing aanhouden.” (Kleykens, 2018, p. 1)

Neutraliteit

Loobuyck hekelt het gebrek aan neutraliteit binnen het levensbeschouwelijk onderwijs. Verder hekelt hij ook het feit dat dit onderwijs niet door de overheid wordt voorzien, maar door de expliciete instanties van de levensbeschouwingen zelf. Ook vindt hij het absoluut niet kunnen dat de overheid voor deze vakken geen eindtermen heeft opgesteld. Zelf stelt hij expliciet over de neutraliteit van zijn nieuwe vak: “LEF is een seculier, geen atheïstisch vak. Het moet jongeren in staat stellen om vrij te denken, maar moeit zich in principe niet met wat jongeren denken.” (Loobuyck, 2014, p. 71) Maar is dat in zekere zin net niet wat de vakken levensbeschouwing precies doen? Een handboek vakdidactiek Godsdienst/levensbeschouwing uit Nederland stelt b.v. in zijn algemene inleiding: “Zo wil het vak leerlingen helpen hun weg te vinden in de wereld van godsdienst, religie en levensbeschouwing, alsook in het leven en al de vragen die ze daarin zullen ontmoeten. Het wil mensen leren een keuze te maken gebaseerd op wat voor hen ‘het goede’ is in het leven.” (Monique van Dijk-Groeneboer, Jan Marten Praamsma, 2020, p. 14)

Ook over de neutraliteit kunnen we ons veel vragen stellen. Is het enerzijds wel mogelijk om neutraal onderwijs te kunnen verschaffen? De meeste leerkrachten levensbeschouwing, halen dan ook het gebrek hieraan aan als een krachtige stelling tegen LEF. Lacroix, een leerkracht Katholieke godsdienst stelt op de website Thomas, dat we allen een bepaald wereldbeeld hebben en een aantal vooroordelen die we op dat wereldbeeld toepassen, en op die manier geven we les. Ook An Verlinden, een leerkracht niet-confessionele zedenleer is het hier met hem eens: “Ik ben geen voorstander van neutraal levensbeschouwelijk onderwijs. Eenvoudigweg omdat levensbeschouwing nooit of te nimmer neutraal kan zijn: een levensbeschouwing bouw je niet op vanuit een “view from nowhere”, maar ontwikkel je doorheen je groeiproces als mens in betrokkenheid op anderen.” (Verlinden, p. 47). In de Standaard van 18 maart 2015 stelden Didier Pollefeyt en Mathijs Lamberigts dan ook onomwonden: “Er bestaan geen neutrale opvattingen, noch neutrale (jonge) mensen.” Ook het eerder aangehaalde handboek over vakdidactiek levensbeschouwing/godsdienst, haalt Palmer aan om duidelijk te maken dat we niet neutraal kunnen onderwijzen: “We geven les in wie wij zijn”. (Jojanne Kemman, 2020, p. 127) Aan de andere kant is een buitenperspectief op het gebied van levensbeschouwing ook bijzonder moeilijk, en denk ik, overschat vaak ook de leerling, die op zoek is naar duidelijkheid. In de geschiedenis b.v. bestaan er over of er een Renaissance heeft plaatsgevonden en hoe en hoe lang, een tiental verschillende theorieën, van dat die zou begonnen zijn in de 12de eeuw, tot zelfs dat die helemaal niet zou hebben bestaan, en dat de lange zestiende eeuw uitsluitend een overgangsperiode zou zijn geweest. Als we dat in het middelbaar onderwijs zouden ventileren, zouden we al snel met de vraag van de leerlingen geconfronteerd worden wat nu juist is, welke visie nu correct is. Daarom wordt er kunstmatig met meer zekerheid gesproken, dan er eigenlijk is. Zo is het ook met levensbeschouwing. Ook het handboek vakdidactiek haalt aan dat een docent Godsdienst/levensbeschouwing door hun leerlingen al snel geconfronteerd worden met de vraag: “Wat gelooft u eigenlijk zelf?” (Jojanne Kemman, 2020, p. 127) Mag een leerkracht dan geen kleur bekennen en gaan we terug naar de 19de eeuw, waar Marx en andere filosofen vonden dat godsdienst vooral in de private sfeer mocht beleden worden? Loobuyck stelt hier niet meer dan dat dit in de (nieuwe) opleiding ter sprake moet komen (Loobuyck, 2014, p. 92)

In feite kunnen verder dezelfde kritieken geuit worden op het vak LEF die destijds geuit zijn op de voorstellen voor een neutraal levensbeschouwelijk vak als alternatief “restvak” door de VLOR in 2003. (Loobuyck, Franken, 2009, p. 50-54)

Verder wil Loobuyck ook komaf maken met de vrijstellingen die men kan verkrijgen op de levensbeschouwelijke vakken juist omdat ze uit een niet neutrale hoek worden gegeven: “Omdat de leerinhoud van LEF tegemoetkomt aan de algemene plicht van het onderwijs om jongeren degelijk te informeren, kritisch-reflectief te vormen en genuanceerd met onderwerpen te leren omgaan, kunnen leerlingen geen vrijstelling krijgen.” (Loobuyck, 2014, p. 11) Buiten het feit dat dit wel een erg beledigende manier is om te schrijven hoe levensbeschouwing onderwezen wordt, net alsof het catechese betreft, werpt Pollefeyt hier tegenop dat de meeste personen die vrijstelling vragen voor de levensbeschouwelijke vakken bestaan uit kinderen uit een Jehovah’s getuigen-gezin, en die zullen ook wel een vak zoals LEF proberen aan te vechten. Zeker daar Jehovah’s getuigen bijzonder kritisch staan tegenover een luik zoals filosofie. Dat begrijpt Loobuyck precies ook als hij na het voorgaande citaat het volgende schrijft: “Strikt genomen kan de overheid LEF als vak nooit opleggen, ze kan alleen eindtermen formuleren.” (Loobuyck, 2014, p. 13)

Geloof als iets uit het verleden

Loobuyck maakt zijn betoog hard door te beweren dat het schoolpact niet langer van deze tijd is. Hij volgt hier vooral de cijfers van het katholieke onderwijs; zo’n 80 % van de leerlingen in Vlaanderen volgt rooms-katholieke godsdienst terwijl 12 % niet confessionele zedenleer volgt. Hij haalt aan dat de meeste van deze leerlingen die rooms-katholieke godsdienst volgen helemaal niet katholiek worden opgevoed thuis. Meer nog, aan het begin van de jaren 2000 noemde slechts 25 % van de leerlingen op katholieke scholen zich gelovig en 86 % gaf aan zelden of nooit naar de kerk te gaan. Slechts iets meer dan 50 % van de leerlingen gaf aan dat het levensbeschouwelijke vak dat ze op school volgden aansloot bij de levensvisie die ze thuis meekregen. Loobuyck stelt dat het één van de doelen van het schoolpact was om de kinderen op school op te voeden in de religie dat ze ook thuis meekregen. Daar dit niet langer het geval is, kunnen we beter dit schoolpact loslaten.

Hij heeft een punt dat het levensbeschouwelijk vak dat jongeren op school krijgen niet langer nauw aansluit bij de levensbeschouwelijke praktijk van de ouders, maar is dat nog wel de taak van het levensbeschouwelijk onderwijs? Het levensbeschouwelijk onderwijs is niet met het schoolpact ergens blijven steken in de jaren ‘50. Er zijn over de jaren heen verschillende keren herzieningen op het leerplan gekomen, juist om vooral dichter bij de jongeren te blijven. Ook het vrij, confessioneel onderwijs, die juist enkel één levensbeschouwelijk vak geeft, probeert door zijn idee van de dialoogschool ruimte en dialoog te creëren met de diversiteit waarvoor ze zich geplaatst ziet. Dat lijkt Loobuyck trouwens ook te beseffen: “Het Schoolpactsysteem wekt ook ergernis op omdat het in te veel gevallen gewoon niet meer aan de oorspronkelijke doelstelling beantwoordt. De idee achter het schoolpact was immers dat het levensbeschouwelijk onderwijs zou aansluiten bij de levensbeschouwelijke opvoeding door de ouders. Dit is vaak niet langer het geval.” (Loobuyck, 2014, p. 43) Interessant is verder dat juist binnen die dialoogschool volgens Pollefeyt elke leerling de ontvangende levensbeschouwing met schroom en respect moet tegemoetkomen, iets wat Loobuyck niet van leerlingen verlangt wat LEF betreft. (Pollefeyt, 2019; Loobuyck, 2014, p. 77) Dat is ook wat Ann Verlinden verwacht van een levensbeschouwelijk vak: “Levensbeschouwelijke vorming in het secundair onderwijs moet zich in eerste instantie richten op het aanleren van een aantal cruciale competenties: onderzoeks-, beoordelings-, en gespreksvaardigheden ontwikkelen die je in staat stellen je bewust te worden van je eigen levensbeschouwing, van de verschillende gelijkenissen met andere levensbeschouwingen en van daaruit naar een common sense te zoeken die het samenleven voor iedereen aanvaardbaar maakt. Daarom moeten dialoog, respect, erkenning en begrip centraal staan in elke vorm van levensbeschouwelijk onderricht.” (Verlinden, p. 58)

Loobuyck heeft naar mijn inziens nogal een vrij simplistisch en naïef beeld van wat er in het levensbeschouwelijk onderwijs aan de orde komt. Zo stelt hij in de Knack van 7-8 november 2015: “Wie even de tijd neemt om de handboeken rooms-katholieke godsdienst te bekijken, ziet al snel dat religie en met name het christendom er zeer gefilterd wordt gepresenteerd. Enkel de positieve kanten worden belicht, maar dat godsdienst ook tot intolerantie en oorlog kan leiden, menselijke vrijheid kan fnuiken, op erg gespannen voet staat met de huidige wetenschappelijke bevindingen, gendergelijkheid miskent, onderdrukkend kan zijn etc… Het wordt allemaal nauwelijks of niet gethematiseerd.” (Loobuyck, Knack, 2015 geciteerd in een pamflet van Katholieke onderwijzers) Daarop antwoordde de Katholieke zuil via een pamflet echter met volgende woorden: “Het eerste het beste handboek rooms-katholieke godsdienst spreekt die bewering al tegen. In het leerboek Caleidoscoop voor het laatste jaar van het ASO wordt bijvoorbeeld een van de drie hoofdstukken gewijd aan de relatie tussen levensbeschouwelijke overtuiging en politiek. Verschillende modellen van die relatie komen aan bod met name ook die modellen die leiden tot onderdrukking van gelovigen, anders- of niet-gelovigen, vrouwen, homoseksuelen etc. Er wordt daarbij onder andere stilgestaan bij verschillende interpretaties van de sharia, een ander hoofdstuk gaat over de relatie tussen geloof en wetenschap.” Loobuyck meent namelijk ook dat godsdienst op erg gespannen voet staat met de huidige wetenschappelijke bevindingen. Hierop reageert een leerkracht (rooms-katholieke) godsdienst dat Loobuyck op die manier uitgaat van de kwestie dat wetenschap en godsdienst dezelfde bekommernissen hebben, of dat hij een bepaalde opvatting over godsdienst (met name een fundamentalistische) laat concurreren met de moderne wetenschap.2 Uit commentaren op deze brief van een voorstander van LEF, merk je in ieder geval een vrij fundamentalistisch atheïstische houding op de Bijbel op.

Zo stelt Frans Hitchinson b.v. omtrent Islam in het katholiek godsdienstonderwijs: “In de omgang met andersgelovigen kunnen christenen allerlei overeenkomsten en verschillen vaststellen tussen hun eigen geloof en dat van de anderen. Dit zet aan tot nadenken en gesprek over de redenen en de achtergrond van die overeenkomsten en verschillen. Langs die vergelijking kunnen christenen het geloven en het gelovig handelen van andersgelovigen leren kennen en waarderen. Zij kunnen ook duidelijker de eigenheid van hun christelijk geloof leren inzien en waarderen.” (Hitchinson geciteerd in Kleykens, 2018, p. 8)

Dat andere levensbeschouwingen aan bod komen en dat er interlevensbeschouwelijk gedacht wordt, zien we ook al door de Interlevensbeschouwelijke competenties die door de verschillende levensbeschouwelijke vakken zijn aangenomen. Misschien zou dit inderdaad kunnen worden uitgebreid, maar het is duidelijk dat de leerkrachten zich bekommerd weten met leerlingen van andere geloofsovertuigingen, en dat ze dus ook in zekere mate “learning about religion” in hun lessen willen integreren. En ook hiervan lijkt Loobuyck toch op de hoogte: “Hoewel ze niet neutraal zijn, besteden de leerplannen van de grootste levensbeschouwelijke vakken niet confessionele zedenleer en rooms-katholieke godsdienst, ook aandacht aan andere levensbeschouwingen.” (Loobuyck, 2014, p. 52) Het enige verschil met het vak LEF (in het levensbeschouwelijk luik) lijkt dan vooral te zitten in het feit dat het niet neutraal is. Maar zoals boven al opgemerkt is neutraliteit onmogelijk.

Tot besluit

Loobuyck heeft enkele goede punten waarom zijn vak LEF een meerwaarde zou kunnen zijn in het onderwijslandschap. Maar helaas maakt hij enkele belangrijke denkfouten die zijn vak juist onmogelijk maken. Hij wil er geen vak van maken van steriele weetjes, maar dat doe je wel als je een leerkracht verbiedt om zichzelf te geven in zijn onderwijs. Dat is ook wat zowel Erik Buys (godsdienstleraar) als een pamflet van de rooms-katholieke zuil duidelijk maken: “Je moet bij datgene waarnaar je kijkt betreffende levensbeschouwelijke zaken ook steeds laten zien met welke bril je kijkt, tenminste als je een totalitaire tendens in je denken wil vermijden. Als je jezelf en anderen wijsmaakt dat je geen bril opzet en dat je een “neutrale positie vertegenwoordigt, dan ben je niet anders dan wie een rechtstreekse toegang tot een ‘goddelijk’ standpunt denkt te bezitten. Zogezegd ‘neutrale’ of ‘goddelijke’ waarheden zijn zonder discussie aan te nemen, en leiden tot vormen van indoctrinatie door wie die waarheden in pacht claimt te hebben.”

Volgens mij moeten we dan ook veel meer toeleggen op de interlevensbeschouwelijke competenties, nog meer andere religies ter sprake brengen in de lessen levensbeschouwelijk onderwijs, maar niet vanuit een neutraal, a-religieus stantpunt, waarvan ik toch wel een beetje vermoed dat heel wat voorstanders van LEF er vooral een atheïstisch vak van willen maken, gezien de commentaren van LEF-voorstanders die ik heb gelezen (zie de site van Thomas en Het Vrije Woord van september 2015), maar juist vanuit het standpunt van het levensbeschouwelijk vak. En dan is, ondanks dat ik het misschien ook zelf liever anders had gezien, vermoedelijk een opsplitsing in levensbeschouwingen handiger dan er een eenheidsworst van te maken. Want uiteindelijk zal geen enkele jongere zich nog in dat vak kunnen vinden, juist in die verscheidenheid ligt de vrijheid.

1Letterlijk staat er in het regeerakkord van 2019: “In de derde graad van het secundair onderwijs kan het gemeenschapsonderwijs overschakelen van 2 u levensbeschouwing naar 1 u levensbeschouwing en 1u interlevensbeschouwelijke dialoog. (p. 13)

2https://www.kuleuven.be/thomas/page/open-brief-aan-patrick-loobuyck/

Overdenkingen over geloof en wetenschap

Inleiding

Iemand bekeren kun je niet. Dat wordt al in de Bijbel aangegeven wanneer Jezus stelt dat niemand tot hem kan komen tenzij de Vader hem trekt (Jh 6,44). Het is ook deze discussie die in de Reformatie bijzonder veelvuldig gevoerd werd: hebben we een vrije wil om te kiezen (of niet te kiezen) voor God, of is dat voorbestemd? Toch noemde Karl Barth deze voorbestemdheid vrijheid omdat God verwerpen eigenlijk juist geen vrijheid is. Blaise Pascal, wetenschapper èn gelovige, kon dan ook vrij zeker stellen: “Hij die niet gelooft, wordt niet overtuigd, en hij die wel gelooft heeft geen bewijs nodig.” Is het echt zo eenvoudig? We zien namelijk in alle lagen van de bevolking, in elk intelligentieniveau en elk opleidingsniveau gelovigen èn ongelovigen. Als christenen hebben we natuurlijk een bekeringsijver, maar zoals uit voorgaande blijkt is het juist niet wij die bekeren, dat maakt een debat niet zinloos zoals ook Petrus 3,15 stelt: “Vraagt iemand u waarop de hoop die in u leeft gebaseerd is, wees dan steeds bereid om u te verantwoorden”, maar het verlicht wel de verantwoordelijkheid van ons christenen: we worden niet op het matje geroepen als we te weinig mensen tot God zouden brengen. Uiteindelijk heb je maar invloed op één persoon, zoals ook het bekende spreekwoord luidt: “Wil je de wereld veranderen, begin bij jezelf.”
Het conflict tussen wetenschap en religie wordt eigenlijk vooral aan de meer extreme kanten van het spectrum gevoerd, en dat zowel op het gebied van (fundamentalistische) gelovigen als (fundamentalistische) ongelovigen. Maarten Boudry b.v., een beruchte atheïst die werkzaam is aan de universiteit van Gent, tweette nog niet zo lang geleden dat geen enkele zichzelf respecterende universiteit een faculteit theologie zou mogen hebben, dan kun je zowel een faculteit astrologie hebben, we weten tenminste dat sterren bestaan. Laat nu net de meest respecterende universiteiten juist wel een faculteit theologie hebben, in België, de Katholieke Universiteit van Leuven en in Amerika b.v. de bekende universiteiten van Harvard en Yale.

Aan de andere kant is het niet zo dat met de bijbel het verstand op slot moet, integendeel. Al in Thes 5,21 stelde Paulus: “Onderzoek alles, behoud het goede.” De raakpunten van geloof en wetenschap liggen in een open houding tegenover het onbekende en het mysterie. Maar misschien wringt net hier teveel het schoentje. Al Hawking stelde dat het bijzonder moeilijk is om de kosmos te onderzoeken, omdat we zelf een deel van die kosmos zijn.

Wereldbeelden

Alles hangt eigenlijk af van wereldbeelden. In tegenstelling tot wat de cursus stelt geloof ik wel dat er een onderscheid in wereldbeelden is, maar dat wil niet zeggen dat ze niet overlappen. Inderdaad ook gelovige mensen kijken de dag van vandaag met een wetenschappelijke bril naar de werkelijkheid. Maar neutraliteit is absoluut onmogelijk. Het is ook al te gemakkelijk om te concluderen dat het een onderscheid is tussen een mythologische en wetenschappelijke wereldbeeld zoals Albert Einstein naar voren bracht. Beide termen vind ik ongelukkig gekozen. Een wereldbeeld is per definitie gekleurd, maar wetenschap zou dat niet mogen zijn, wetenschap handelt namelijk over kennis, over wat we weten, niet (uitsluitend) over wat we denken. Ja, ik weet het, een vrij naïef beeld van wetenschap, juist omdat er mensen aan deelnemen, en mensen kunnen niet neutraal zijn. Liberaal humanistisch wereldbeeld zoals Harari het noemde, zou misschien beter de lading dekken. Of misschien iets neutraler: seculier wereldbeeld. Ik sta hier dus wel gedeeltelijk achter de ideeën van Habermas denk ik, die een te grote verdeeldheid zag van het levensbeschouwelijke terrein in twee kampen: vooruitstrevende wetenschap en techniek aan de ene kant en behoudende geloof en religie aan de andere kant.

Gelukkig is men hier toch enigszins een beetje van teruggekeerd door een conceptual compatibility te zien tussen het religieuze en het wetenschappelijke wereldbeeld. Maar het is waar zoals Caputo stelt dat we zo arglistig als slangen moeten zijn als we religieuze taal hanteren.

Het Kosmologisch determinisme maakt volgens mij de vergissing door te stellen dat geen enkele uitwendige kracht de wetten van de natuur en de kosmos kan opheffen of veranderen. Hiermee doen ze volgens mij (als christen) God te kort, en stellen ze God (en ook de hemel die ze ontkennen te bestaan) gelijk aan een deel van onze materiële werkelijkheid. Dat is ook wat Hawking stelt als hij verwoordt: “Ik gebruik het woord ‘God’ in onpersoonlijke zin, net als Einstein deed, voor de natuurwetten, dus het kennen van Gods denken is het kennen van de natuurwetten. Ik voorspel dat we tegen het einde van de eeuw Gods denkwijze kennen.” Het raakpunt van geloof en wetenschap ligt misschien wel in de open attidude tegenover het onbekende of het mysterie. We leven in een toenemende seculiere maatschappij waar een wetenschappelijk wereldbeeld wordt gehanteerd. Maar een wetenschappelijk wereldbeeld hanteert geenszins automatisch een atheïstisch wereldbeeld. Dat is iets wat de nieuwe atheïsten ons willen doen geloven. Mensen zoals Dawkins, Dennet, Hitchens, Harris hebben een bijzonder uitgesproken mening over religie en over het bestaan van God. Maar ze gaan vaak behoorlijk uit de bocht omdat ze zich ook willen begeven op terreinen waarin ze niet gespecialiseerd zijn. Hun kennis van Bijbel en traditie is vaak te ondermaats om hen op dit vlak serieus te nemen. Anderzijds begrijpen ze gelovigen ook simpelweg niet.

Verder hoeft een gelovig wereldbeeld niet meteen met een wetenschappelijk wereldbeeld te botsen (al kan dat uiteraard wel het geval zijn). Een goed voorbeeld hiervan is Theodius Dobshansky die geneticus en evolutionair bioloog was, maar toch geloofde in God. Volgens hem was de evolutie de creatiemethode die God gebruikte in de natuur. Ook William Paley stelde dat Darwin de doelgerichtheid van de natuur als bewijs van Gods plan gebruikte. En Lubbock concludeerde dan weer dat religie helemaal niet oppositioneel met wetenschap stond, de wetenschap zou alleen de onzinnige en bijgelovige kanten van religie tegenspreken. Ook Conway kwam tot soortgelijke conclusie, hij achtte dat men Darwin verkeerd begreep als men zijn theorie interpreteerde als een “recht van de sterkste”. Het ging niet om de overleving van de sterkste maar om de overleving van nederigheid, rechtvaardigheid en sympathie. En op die manier kun je dus Gods werk zien doorheen de evolutie. Darwin, die eigenlijk zelf heel zijn leven geworsteld heeft met geloof, vooral sinds de dood van zijn tienjarig dochtertje, maakte dan ook niet zozeer komaf met geloof, al is dat ook weer wel mogelijk en werd zijn theorie misschien wel door beide kanten vaak levensbeschouwelijk “misbruikt”. In een brief aan een vriend en collega schreef hij dan ook dat hij zich in zijn leven nooit een atheïst gevoeld heeft in de zin dat hij het bestaan van God ontkende. Maar Darwin maakte zelf ook enkele denkfouten, vooral omtrent de oorzaak van het kwaad, en de strijd in het bestaan, die ook toen al duidelijk in de zondeval verwoord werden. De wereld is inderdaad niet (alleen) mooi en wonderlijk, teveel proberen mensen met een christelijke achtergrond hier de nadruk op te leggen, en de “lelijkheid” van de natuur, dood en verval te verzwijgen en niet te verklaren. Dat moeten we misschien meer doen. “Waarom laat God het lijden toe”, is misschien wel één van de meest gehoorde vragen.

Het probleem is dat evolutie wel bepaalde zaken kan uitklaren maar anderen helemaal niet. Daar wordt in feite te weinig aandacht aan besteed. In cultureel opzicht heeft de mens een natuurlijke drang tot het goede, evolutionair kunnen we deze geneigdheid zien als een overlevingsdrang. Maar het probleem is dat we ook kunnen kiezen voor het kwade. Volgens verschillende evolutionaire wetenschappers, met misschien aan kop Dick Swaab in de Nederlanden, bestaat er niet zoiets als een vrije wil. Ze komen tot deze conclusie omdat bij een handeling, de trigger in onze hersenen voor deze handeling, al gemaakt wordt voordat we deze handeling uitvoeren. Maar niet iedereen is het hier opnieuw mee eens, er zijn net zo goed hersenwetenschappers die zich tegen deze visie keren, verder kunnen ze het bewustzijn niet verklaren. Een heel mooi boekje hieromtrent is “Out of our heads: Why you are not your brain, and other lessons from the biology of Consciousness” van Alva Noë.

Ook liefde is zo’n begrip die moeilijk te verklaren, of in wetenschappelijke beelden, te gieten is, juist doordat het een subjectief begrip is en subjectieve ervaring kan niet met een wetenschappelijke methode geanalyseerd worden. We zien wel sympathie en empathie bij enkele hogere primaten, maar het is vooral de mens die zich relationeel ontwikkeld heeft. Waarom? Enkele 19de eeuwse filosofen probeerden dit te overbruggen met het idee van het dialogisch denken. We hebben het hier dan over Martin Buber (1878-1965) en Emmanuel Levinas (1906-1995). Vooral Levinas idee vind ik interessant die de erkenning van het anders-zijn van de ander aan de transcendente andersheid van God verbindt, die in het gelaat van de ander zijn spoor naliet.

Wat of wie is God?

Op afbeeldingen zien we God vaak zitten op een glorierijke troon omgeven door engelen die hem bezingen en die neerkijkt op de aarde. Een beeld die in feite is afgeleid uit wat er in openbaringen wordt beschreven dat aan het einde der tijden zou gebeuren. Jezus zou immers koning over de aarde worden. Ook al in Daniël, het meest apocalyptische boek uit het Oude Testament maakt Dan 2,44 duidelijk: “Maar ten tijde van die koninkrijken zal de God van de hemel een rijk laten opkomen dat nooit te gronde zal gaan en dat nooit op een ander volk zal overgaan. Het zal al die koninkrijken verbrijzelen en vernietigen, maar zelf zal het eeuwig bestaan.” Als je in de Salvator kerk in Brugge plaatsneemt en achter je kijkt zie je God met een lange baard en een staf in zijn handen.

Het is echter een beeld die vrij kinderlijk aandoet, en die vaak niet zorgt voor genoegdoening bij intelligente mensen (of moet ik eerder geschoolde mensen zeggen?).

Het is dan ook interessant dat in het Judaïsme afbeeldingen van God verboden werden (zoals we al kunnen opmaken uit de tien geboden). Dit werd later zelfs zo rigoureus opgevat dat elke afbeelding binnen het Judaïsme verboden werd.

Het is ook op die manier dat Einstein b.v. “religieus” was. Ik zet religieus tussen aanhalingstekens omdat ik ook wel sterk het gevoel heb dat zijn bewondering vaak ligt in het praktische van de religie, dan met name de liefde, dan werkelijk in het geloven in hogere entiteiten. Einstein wees ook op de sterkte van religie, zijnde de houding van complete toewijding en overgave aan de waarheid en niet zozeer aan wat de mythologische voorstellingen voorhouden. Het is bijna ironisch te stellen dat één van de bedenkers van de atoombom ook bijzonder veel waarde hechtte aan de liefde, en eigenlijk zelfs een pacifist genoemd kan worden. Dat zien we b.v. in zijn briefwisseling met Freud, waarin hij de psychiater onomwonden vroeg of er een manier was om de liefde in de instelling van de mens te bakken. Het antwoord van Freud is volgens mij bijzonder interessant. Zijn uitspraak dat “het levende wezen zijn eigen leven behoudt door het vernietigen van het leven van de ander”, lijkt bijzonder mooi verweven te zijn met de evolutietheorie, maar dan wel vaak met de vergissing dat het om de wet van de sterkste gaat, in plaats om de wet van de meest aangepaste. Misschien dezelfde fout die de Nazi’s maakten toen ze hun gedachten rond Lebensraum ventileerden, met alle gevolgen van dien. Ik zie bij Freud als hij stelt dat bij de vele zaken die men probeert voor een vrijer leven, van de afschaffing van privaat-eigendom tot vrije liefde, dat men steevast op een sektarische manier probeert te bestrijden van wie anders denkt en doet, mijn eigen visie op het dogmatisme van de mens: de mens is van nature dogmatisch, we houden er een zekere aversie op na voor iedereen die anders denkt dan ons, en dat is met het verdwijnen van geloof, helemaal niet veranderd, dat bewijzen de vele atheïstische (vooral) communistische regimes, maar al te goed. Alleen de accenten zijn verschoven. Daarom dat sektes ook zo welig floreren, zelfs, als men het onderzoek mag geloven, bij hogeropgeleiden. Daar was Jezus en zijn “leer” eigenlijk revolutionair in. Het ging namelijk juist niet om een leer (daarom zet ik ook dit woord tussen aanhalingstekens) het ging om liefde. Zijn discipelen zouden zich niet van anderen onderscheiden doordat ze allen hetzelfde geloofden, maar wel omdat ze liefde onder elkaar hadden (Joh 13,34-35). En dat is vaak het misbruik binnen sektes, die eenheid verwarren met uniformiteit (uniformity in place of unity).

Geloof is vooral ervaring

In een preek die ik ooit hoorde kwam naar voren dat de prediker, zijn zekerheid van zijn geloof, als het ware het weten dat God bestond, niet ontleende aan enige wetenschappelijke overweging, zoals in het begin van deze paper ook Pascal werd aangehaald, maar uit de ervaring dat hij God gevoeld heeft. En per definitie is ook ervaring subjectief. Ook dit is niet met een wetenschappelijke methode te testen. Het is niet herhaalbaar en niet verifieerbaar. Daarom is er ook zo’n discrepantie volgens mij tussen gelovigen en ongelovigen, gelovigen kunnen niet begrijpen dat iemand niet overal de Heilige Geest in ziet, en ongelovigen begrijpen niet dat iemand zo naïef kan zijn te geloven dat er iets hogers dan het materialistische bestaat. En op die manier praat je steeds naast elkaar. Dat haalt Sesboué ook aan bij de vele Maria ervaringen in de 19de eeuw in Fatima en Lourdes. Het zou gemakkelijk geweest zijn, moesten we alle mensen die op die plaatsen een Maria-ervaring hebben gehad aan de kant konden schuiven als marginalen, onopgeleiden, als mensen die psychisch aan de labiele kant waren. Maar dat is juist niet geval. Er waren onder degenen die Maria-ervaringen hadden ook hogeropgeleiden, mensen die de ratio altijd boven het gevoel stelden, ingenieurs, medici… Volgens Sesboué is een wonder, zoals een wonderbaarlijke genezing dan ook helemaal niet het vlak van de geneeskunst, maar zou het juist de geneeskundige sieren als hij het raadsel een raadsel durfde te noemen. Hippocrates stelde al dat de essentie van een goede wetenschapper erin bestond om te durven zeggen: ik weet het niet.

En ja, vele van deze ervaringen lijken wetenschappelijk te verklaren, en misschien zijn ze dat zelfs ook, maar voor iemand die die ervaring heeft ondergaan, is de ervaring te diep om zich uitsluitend op het wetenschappelijke te beroepen. Zo haalt Dick Swaab in zijn boek “Wij zijn ons brein” het idee van een buitenlichamelijke ervaring aan. De ervaring kan namelijk door bepaalde delen van de hersenen te beïnvloeden, getriggerd worden, maar voor iemand die de ervaring heeft ondergaan is dit onvoldoende bewijs. Het gevoel primeert boven de ratio. Aan de andere kant kunnen we ons ook afvragen waarom dit in onze hersenen geprogrammeerd is. Niet voor niets wordt soms gesproken over het godsdeeltje in onze hersenen die de ervaring kan triggeren dat we God ontmoeten. Opnieuw zo moeilijk wetenschappelijk te verklaren, en aan de andere kant blijft de vraag: Waarom is dit aanwezig? Ook het bewustzijn is een probleem apart. Misschien is dat juist de manier waarop God met ons wilt communiceren. Maar opnieuw dit vraag je enkel af als gelovige, en niet als ongelovige. Opnieuw de verschillende wereldbeelden, en het gebrek aan ervaring van de scepticus.

Net zo met oneindigheid. De bijbel stelt dat God oneindigheid in het hart van de mens heeft gelegd (Pred 3,11). We leven dan ook met het idee eeuwig te leven. De dood is altijd voor iemand anders, tot we ermee geconfronteerd worden. Dat doet me b.v. denken aan de laatste momenten van Marie-Rose Morels leven. Ze was al afgeschreven, ze had nog amper maanden te leven, en toch zat ze nog plannen te maken om de zomer van het jaar waarin ze stierf op vakantie te gaan, een vakantie die ze uiteraard niet meer heeft kunnen beleven. Onlangs vroeg mijn moeder zich af of je als je in de tachtig bent, besefte dat elke dag de laatste kon zijn.

De Bijbel is een geloofsboek

Nietzsche, en in zijn kielzog zowel Hegel voor hem als Wittgenstein na hem, stelde dat er niet zoiets bestaat als waarheid, enkel interpretatie. Dat zien we b.v. al als we het vroege christendom bestuderen. Het is een opeenstapeling van meningen en discussies geweest. En dan zouden we misschien kunnen denken dat dit eindigde toen het orthodoxe christendom staatsgodsdienst werd, in de 4de eeuw, maar ook dan stopten de discussies en controverses niet. Origenes (2de eeuw) b.v. stelde over de zes scheppingsdagen, dat ze onmogelijk letterlijke dagen zouden kunnen zijn geweest, want pas op de 4de dag worden de hemellichamen gecreëerd die de onderverdeling tussen dagen mogelijk maakte.

Spinoza stelde in de 17de eeuw de zekerheid dat Mozes de eerste vijf boeken (de pentateuch) van onze huidige bijbel heeft geschreven in vraag, met de eenvoudige, maar niet minder ingenieuze idee, dat Mozes toch onmogelijk zijn eigen dood zou kunnen hebben beschreven (Deut 34)? Het begin van de bronnentheorie was geboren.

In 2 Tim 3,16 wordt misschien één van de meest bediscussieerde verzen uit de Bijbel aangehaald: “Elke Schrifttekst is door God geïnspireerd.” Ja, één van de meest bediscussieerde, omdat hoe je inspiratie begrijpt, heel je kijk op de Bijbel bepaalt. Als je het als dictaat opvat, dan kunnen er geen fouten in de Bijbel staan. Dan moet alles zo gebeurd zijn als staat opgetekend, niet alleen omtrent de eerste elf hoofdstukken van Genesis, maar ook omtrent b.v. de discrepanties die we in de vier evangeliën terugvinden en die moeilijk verenigbaar lijken met elkaar. Een reden waarom b.v. iemand als Ehrman zijn (fundamentalistisch) geloof is kwijtgeraakt. Het is een zekerder geloof, omdat het je minder voor vragen en moeilijkheden plaatst, maar het risico bestaat ook zoals de Katholieke priester en geleerde Bieringer naar voren haalt, dat met het badwater het kind wordt weggespoeld.

Lemaïtre, die wel als een belangrijk figuur kan gezien worden omtrent het harmoniemodel tussen geloof en wetenschap als priester en astronoom en die de grondlegger is geweest van de Big Bang-theorie, verklaarde de verschillende visies omtrent de Bijbel en de seculiere wetenschap als volgt: “The writers of the Bible were illuminated more or less – some more than others – on the question of salvation. On other questions they were as wise or ignorant as their generation. Hence, it is utterly unimportant that errors in historic and scientific fact should be found in the Bible, especially if the errors related to events that were not directly observed by those who wrote about them… The idea that because they were right in their doctrine of immortality and salvation they must also be right on all other subjects, is simply the fallacy of people who have an incomplete understanding of why the Bible was given to us at all.” Deze uitspraak kan men zien als de volgende stap in de discussie tussen geloof en wetenschap. Gallilei b.v. stelde vroeger al dat hij geloofde dat de Bijbel vertelde hoe we in de hemel konden raken, maar niet hoe de hemel werkte. Ook de Katholieke kerk laat zich laatdunkend uit over een te letterlijke lezing van de Bijbel: “’Letterlijke interpretatie’, waarvoor een fundamentalistische lezing opkomt, is in werkelijkheid verraad aan zowel de letterlijke als de geestelijke betekenis en maakt de weg vrij voor verschillende vormen van instrumentalisering door bijvoorbeeld antikerkelijke interpretaties van de Schriften zelf te verspreiden. Het problematische aspect van een fundamentalistische lezing is dat zij weigert rekening te houden met het historische karakter van de Bijbelse openbaring en het zichzelf daardoor onmogelijk maakt ten volle de waarheid van de menswording zelf te aanvaarden. Het fundamentalisme gaat de nauwe relatie van het goddelijke en het menselijke in de betrekkingen met God uit de weg.” Maar dat leek althans niet altijd het standpunt van de katholieke Kerk te zijn geweest zoals we b.v. uit volgend citaat uit Dei Filius kunnen opmaken: “Wie niet alle boeken van de Heilige Schrift met al hun delen, zoals de kerkvergadering van Trente die heeft vastgesteld, als heilige canonieke geschriften erkent, of wie loochent, dat ze door God ingegeven zijn, die zij uitgesloten.”

De Kerk

Vaak wordt Galilei dan ook gezien als het symbool van de onverenigbaarheid tussen geloof en wetenschap. Toch was de discussie een stuk gecompliceerder dan men altijd naar voren brengt. Ja, de kerk geloofde in die tijd in het geocentrisch model zoals we die van Ptolemeaus hadden geërfd, maar dat deed zowat iedereen in die tijd. Wat Galilei, en voor hem Kepler ontdekte, was dan ook revolutionair, en elke verandering is moeilijk, dat is niet anders voor mensen binnen de kerk. Toch werd Galilei niet zozeer voor zijn ideeën veroordeeld, de kerk wilde vooral dat hij niet met de zekerheid sprak van zijn overtuiging, dat was het privilege van de kerk, ze wilden dat hij bleef stellen dat dit (maar) een hypothese was.

Dat was trouwens niet anders met de hogere tekstkritiek, waarvoor de kerk in het begin van zijn opkomst ook waarschuwde, de leden van de nouvelle théologie b.v. werden voor het tweede Vaticaans concilie bijzonder fel verguisd, om erna juist omhelsd te worden. Soms heeft de kerk even tijd nodig, net zoals mensen dat in het algemeen nodig hebben om aanpassingen aan hun denkwijze uit te voeren. Misschien doet de kerk dat soms zelfs wel te veel.

Tot besluit

Als theoloog probeer ik antwoorden te geven op prangende vragen van mensen die met zinvragen zitten, de antwoorden hierop zijn misschien wel de belangrijkste reden waarom ik theologie ben gaan studeren. Maar als christen heb ik vaak meer vragen dan antwoorden. Ik leg ze aan God voor, en hoop dat hij er mij antwoord op wil geven. Soms lijkt dat te gebeuren, andere keren niet. Daarvoor zou ik mijn geloof kunnen verliezen, omdat ik niet op alles een antwoord heb, maar dat heb je nooit, hoe graag we dat ook zouden willen.

Gods Koninkrijk is de essentie van heel de Bijbel, dat is volgens mij de rode draad. Maar wat is Gods koninkrijk? In Markus wordt gesteld dat Gods koninkrijk op handen is, in Lucas wordt gesteld dat het binnen in ons is (Luc 17,21). In het Onzevader bidden we dat zijn koninkrijk zowel gevestigd mag worden in de hemel als op aarde. Maar dat is nu al tweeduizend jaar geleden. We moeten er niet flauw om doen, de apostelen leken te geloven in een op handen zijnd koninkrijk. We zouden zelfs Reimarus een beetje kunnen volgen als hij zegt dat het de apostelen waren die een nieuw geloof stichtten omdat dat Koninkrijk wel erg lang op zich leek te laten wachten. Maar misschien is dat Koninkrijk er al, in ons, zonder dat we het eigenlijk beseffen, en in de hemel.

Dat Koninkrijk kunnen we misschien ook weerspiegelen in de kerk. Jezus zei niet aan het feit dat je dit of dat gelooft zullen de mensen je herkennen, maar aan de liefde die je onder elkaar bezit. We verwijten vaak sektes hun lovebombing, maar misschien kunnen we als reguliere kerken hier wel het één en ander van leren. Dat is ook wat de Katholieke mystistici vaak naar voren haalden. Het is een kinderlijk geloof om angst voor straf te hebben. De liefde neemt dat allemaal weg, dan heeft God geen macht meer, maar gezag, dan probeer je Christus niet na te volgen omdat je bang bent voor de gevolgen, maar omdat je Christus liefhebt. En op die manier kun je je geheel geven aan Christus.

Geloven doe je dus niet enkel met je verstand, dat doe je met heel je wezen, alles wat in je zit.

Autisme en… angst

Inleiding

Het blijkt dat angstsymptomen een wijdverspreid fenomeen zijn onder kinderen van de algemene populatie (Ollendick 2002). Uit onderzoek blijkt ook dat kinderen met ASS bovengemiddeld angstig zijn en dat dit zich vaak anders uit dan bij zich neurotypisch ontwikkelende kinderen (Russel en Sofronoff, 2005). Vaak is echter niet duidelijk hoe vaak ze samen voorkomen en welke angsten een rol spelen. De percentages lopen uiteen van 7 % tot 84 % (Kerig & Wenar, 2006).
Ook in de DSM V wordt er geen verband gelegd tussen ASS en angst. ASS wordt dan gediagnosticeerd volgens tekortkomingen op gebied van sociale communicatie en interactie. Een angststoornis, waarmee bedoeld wordt: angst, bovenmatige of irreële zorgen, die geen rechtstreekse oorsprong hebben en voor tenminste zes maanden aanhouden, heeft dan ook zijn eigen diagnostiek in de DSM V. Ik wil met deze blog geen wetenschappelijke studie maken over het verband tussen ASS en angst, daar heb ik enerzijds niet de kennis voor en anderzijds kan ik enkel spreken uit mijn eigen ervaring.
Wat ik wel bijzonder vind, is dat ik het weinig aan bod zie komen en het heel moeilijk uitgelegd krijg aan anderen. En juist dat wil ik proberen met deze blog.

Angst en een wereld van herkenning

Ik denk dat ik voor het eerst echt erkenning en herkenning vond voor de angsten die ik voelde in het boek van Gunilla Gerland Een echt mens. Laat ik wel vermelden dat dit boek één van de minst vrolijke autobiografieën van een persoon met ASS is, die ik heb gelezen, maar misschien juist daarom dat het boek me zo aanspreekt, omdat het ASS niet wegstopt in het vakje van “er is gewoon een hoek af”, of “prettig gestoord”. Ik ervaar mijn ASS veel meer als een beperking dan gewoon een andere manier van zijn. In dat boek beschrijft Gerland hoe mensen over het algemeen er voor haar uitzien, en hier vond ik sprekend terug hoe ik zelf mensen en hun gezichtsuitdrukkingen ervaar. In mijn debuutroman die later dit jaar zou moeten uitkomen probeer ik te beschrijven hoe mensen er voor mij uitzien, en ik citeer hier dan ook graag een stukje:

Aarzelend schudde Arnold zijn hoofd.

‘Neen, dat niet. Het ziet er nog altijd bedreigend uit, mensen dan, bedoel ik… ja… Nee… Niet alle mensen… Sommige mensen hebben open gezichten. En anderen corrigeer ik inwendig. Zodat ik mij niet bedreigd voel. Niet bedreigd moet voelen.’

‘Open gezichten? Kun je daar wat meer over vertellen?’

‘Sommige mensen hebben een gezicht dat te lezen valt. Ik bedoel dat je zowat kan weten wat ze denken. Maar anderen. De meesten zelfs. Het lijkt soms alsof ze geen ziel hebben. Een soort van demonen zijn die het op je gemunt hebben. Ja, ’t is raar uitgelegd… Precies The walking dead… Begrijp je wat ik bedoel?’

Mijn moeder werd dan ook toen ik kind was gek van de vraag: “Ben je kwaad”, en nog steeds is dat een vraag die ik honderden keer stel, en als ik ze niet stel, zal ik het me meestal wel afvragen.
Mensen zien er dus bedreigend uit, mannen meer dan vrouwen, volwassenen meer dan kinderen. Het is iets dat ik inwendig steeds corrigeer, en probeer te geloven in het goede van mensen in het algemeen. Maar terwijl ik dat rationeel kan corrigeren, gaat dit emotioneel een stuk moeilijker. In mijn hart voel ik me bedreigd, terwijl mijn hersens mij telkens van het tegendeel willen bewijzen.

Laag zelfbeeld

Laat ik hier even mijn psychiater aan het woord laten zoals hij het mij heeft uitgelegd: het leven gaat in fasen. Als kind ben je eigenlijk vrij egocentrisch, niet jij bent anders, maar iedereen om je heen. Misschien daarom dat ik met vrij veel vreugde terugkijk op mijn kindertijd. In mijn tienerjaren begon dit langzaam te veranderen. Ik begreep dat er iets niet klopte, en mijn antwoord was veelal agressie, maar ook depressie, ik beschermde mezelf door de aanval te verkiezen, voor ik me moest verdedigen, en dat deed me pijn, want ik hield niet zo van mensen verdriet te doen. Ook begon ik het me steeds meer aan te trekken als mensen niet van me hielden.

Als volwassene zijn deze laatste gevoelens geëscaleerd. Met als gevolg dat ik vanaf mijn tienerjaren, zoals zovele mensen (en zeker mensen met ASS) een laag zelfbeeld heb ontwikkeld, waar ik maar niet lijk boven te kunnen rijzen. Steeds vraag ik me af of mensen van mij houden, terwijl het eigenlijk er weinig toe zou moeten doen, want zoals het spreekwoord luidt: je kan toch nooit voor iedereen goed doen, en doe wat je wilt, roddelen zullen ze toch.
Ook Judith Visser beschrijft zoiets moois in haar laatste (biografische) roman “Zondagsleven”; op een gegeven moment werkte ze bij een bedrijf en wilde haar leidinggevende dat ze chocoladeletters uitdeelde aan de collega’s zodat ze wat meer contact zou krijgen, want dat ontbrak volgens haar leidinggevende. Eén van haar (vriendelijkste) collega’s bood aan hierbij te helpen, maar op een gegeven moment trok hij net wanneer ze haar hand in de doos met chocoladeletters stak de kar naar voren (niet opzettelijk) waarbij een doos op de grond viel en er enkele letters uitvielen. Jasmijn Vink (zoals het hoofdpersonage in de roman heet) was zo verbouwereerd dat ze opeens alles naar zich toetrok: iemand die lachte, mensen die praatten, het ging allemaal om haar “lomp” gedrag. En zo ervaar ik het bijna elke dag. Ik heb een tijdje voor Smals in Brussel gewerkt, waar we aan kantooreilanden zaten. Om de geluiden en de overprikkeling te filteren gebruikte ik een hoofdtelefoon, maar elke keer als ik iemand zag lachen had ik het gevoel dat die persoon mij uitlachte. Ik zei er nooit iets van, en ik sprak er nooit over, maar vaak ging ik met tranen in mijn ogen naar huis, omdat ik het gevoel had dat mensen mij niet serieus namen, geen respect voor mij hadden, en ja, mijn hersens wisten wel dat die persoon in kwestie waarschijnlijk met iets helemaal anders lachte (en dat ik helemaal niet zo belangrijk was dat ik altijd door iedereen “gezien” werd), en dat het er eigenlijk niet eens toe deed hoe een ander over mij dacht, want het gaat over hoe jij over jezelf denkt, maar mijn hart wilde of kon mijn hersens niet geloven.

Heeft het met ASS te maken?

Heeft het met ASS te maken? Ja, ik denk het wel… En natuurlijk met dat laag zelfbeeld… Maar ASS is een stoornis op het gebied van communicatie en sociale interactie, en als je hier geen begrip over hebt, als je geen lichaamstaal kan lezen, als gesproken woorden soms anders aanvoelen dan ze worden bedoeld, kan je niet veel anders dan onzeker zijn en je afvragen: Heb ik het juist geïnterpreteerd? Want ik weet heus wel, doordat ik het stempel ASS heb, dat het over het algemeen aan mij ligt. En dan is er steeds weer opnieuw dat gevecht tussen hart en hersens.

Hij is niet hier… Hij is opgestaan

Het is Pasen vandaag. Ik wordt altijd een beetje opgewekt rond deze periode (en nog meliger dan anders). Het lijkt wel alsof alles op dat moment leven ademt. Jezus is gestorven en heeft de dood overwonnen. Het is lente. De zon schijnt.De dagen worden weer langer. Ik vind de periode tussen kerst en pasen de moeilijkste periode van het jaar. Het is de meest duistere periode. De lichten worden van de huizen gehaald en wat er overblijft is winter. Korte, donkere dagen overheersen. Met Pasen denk ik dan altijd: we hebben het weer overleefd. Opnieuw een jaar.

Waarom in godsnaam op een zondag?

Al van vrij vroeg in de christelijke geschiedenis is de zondag een vrij belangrijke dag geweest. Vele niet-christenen (en ook sommige christenen) maken de vergissing dat de zondag gekozen werd ter vervanging van de sabbat, maar dat is geenszins het geval. Tot rond de 5de eeuw gingen christen gewoon de zaterdag (sabbat) naar de synagoge en vierden op zondag in hun eigen kringen. De zondag werd voor christenen als heilig beschouwd opdat het de dag van de opstanding was. Voor alles was de zondag de belangrijkste dag van de week voor christenen, nog voor kerstmis er was. Ook pasen, het Joodse pesach, dan, niet wat vandaag met pasen gevierd wordt, werd voor het Concilie van Nicea eigenlijk een beetje vrij gevierd: sommigen vierden het op de specifieke dag, 14 nissan, anderen vierden het op zondag na pesach, en weer anderen vierden het op de eerste zondag na de volle maan van de lente.
Het was uiteindelijk Constantijn die de knoop doorhakte, die als voorzitter gold van het Concilie van Nicea, en vrij anti-semitisch was en de dag zo ver mogelijk van het oorspronkelijke joodse feest wilde scheiden. En op die manier werd het dus de zondag na de eerste volle maan van de lente.

Voor de Katholieke kerk is het heel de week feest… Al is feest niet echt een goed woord, want goede vrijdag is in feite een rouwmoment, dan wordt Jezus gekruisigd, op (stille) zaterdag is er dan als ik me goed herinner uit de lessen liturgie (ik ben namelijk geen katholiek) ook geen eucharistie, juist om de reden dat op dat moment Jezus dood is. Maar zondag is dus feestelijk, want op die dag staat Jezus op. Hij is drie dagen dood geweest, en nu heeft hij de dood overwonnen. De dood waar we allen slaaf van waren. Want de loon die de zonde betaalt is de dood. Het maakt het lijden van deze wereld een klein beetje draaglijker. We hoeven niet langer bang te zijn, want de dood is niet het einde, het lijden dat we ondergaan heeft het doel, en verdwijnt uiteindelijk. Dat bewees Jezus door zijn dood en opstanding.

De Kerk in Corona-tijden

De Corona-crisis, heeft ook de kerk verplicht zich te adapteren, en ik ben bijzonder verheugd te merken dat ze dit met verve doet. Overal stampen christelijke kerken digitale diensten uit de grond. Het zal natuurlijk niet het samenvieren, het samen aanbidden, vervangen, maar het is bijzonder fijn te zien dat de kerken hun leden niet aan hun lot overlaten, en ook in crisis nog steeds aan God denken. Ik kreeg vorige week een kaartje van de voorganger van de kerk waar ik ga (en natuurlijk ook van zijn vrouw), en ook heeft hij even gebeld om te weten hoe het ging. Bijzonder attent vind ik dat. Geen Kerkraad vraagt hem om zo aan zijn kerkgangers te denken. Daarvoor moet je een hart voor mensen hebben. En volgens mij is dat een belangrijke eigenschap van een voorganger: een hart voor mensen. Gaat uiteindelijk daar het christendom ook niet over: Heb je God lief met heel je verstand, en je naaste als jezelf?

Ik kan me voorstellen dat veel mensen nu vertwijfeld zijn, zelfs bang. Het zijn ongeziene en onzekere tijden. Laten we dus vooral de mensen niet vergeten. De mens heeft namelijk bovenal God nodig. God maakt het leven de moeite waard. Dank je voor het offer aan het kruis, Jezus.

Gezegend pasen.

Boekrecensie: Oorspronkelijk door Dr. M.J. Paul ****

Uitgegeven door Labarum Academic
2017 (tweede druk)
525 pagina’s
ISBN: 9789402904956
https://www.debanier.nl/oorspronkelijk
https://www.bol.com/nl/p/oorspronkelijk/9200000080531397/?bltgh=sz35vSSbie5TY-s3YZFJ6g.1_4.16.ProductTitle

Achterflap

Over de oorsprong van het leven bestaan zeer uiteenlopende theorieën, van evolutie tot creationisme. In dit boek wordt zorgvuldig geanalyseerd hoe de Bijbel en de christelijke traditie over onze oorsprong spreken.

De vraag naar de oorsprong van het leven is veelomvattend. Zij raakt de uitleg van de Bijbel, de ouderdom van de aarde, de relatie tussen de mens en zijn milieu en de verhouding tussen geloof en wetenschap. Bovendien heeft onze visie op de oorsprong van het leven gevolgen voor onze opvattingen over het kwaad en het lijden in deze wereld, voor ons zicht op de verlossing en onze toekomstverwachting.

Oorspronkelijk gaat op deze zaken in en richt zich vooral op de uitleg van de Bijbel en de achtergronden daarvan. Die uitleg is nooit neutraal, maar vindt plaats in wisselwerking met culturele en wetenschappelijke opvattingen.

Prof. dr. Mart-Jan Paul (1955) doceert Oude Testament aan de Christelijke Hogeschool Ede en de Evangelische Theologische Faculteit te Leuven. Hij is eindredacteur van de twaalfdelige serie Studiebijbel Oude Testament.

Eigen mening

Na lang op mijn schap gelegen te hebben was het toch tijd om me eens in dit boek te verdiepen. Als theoloog, maar ook als christen, boeit het debat rond creationisme/evolutionisme mij natuurlijk. Vele van de reflecties hieromtrent kun je al op deze blog lezen. Mart-Jan Paul doceert blijkbaar (als ik de achterflap mag geloven) aan de Evangelische theologische Faculteit in Leuven. Onlangs las ik nog een artikel rond spanningen die er zijn tussen deze faculteit en de faculteit Godsgeleerdheid van de KU Leuven, waar natuurlijk het creationisme/evolutionisme debat niet uit kon blijven. Een taboe vooral aan de KU Leuven waar men evolutionisme als belangrijke factor van wetenschappelijkheid hanteert, getuige ook een in 2016 gepubliceerde blog van Prof. dr. Bénédicte Lemmelijn, waar ze in zekere zin wat het taboe rond creationisme wilde wegwerken, en waar ze prompt van creationisme en (dus) onwetenschappelijkheid en het promoten van zo’n ziensbeelden werd beticht. Maar kunnen we er als theologen wel voorbij? Tot in de 19de eeuw was het niet alleen het standaardziensbeeld van de christen in Europa, maar was het tevens het ziensbeeld van de wetenschappelijke elite met de theologie aan kop (aan de KU Leuven werd theologie als de belangrijkste faculteit beschouwd bij de oprichting wat zich b.v. de dag van vandaag nog steeds uit in het feit dat bij de stoet der Togati, de professoren van de faculteit theologie vooraan lopen).

Oorspronkelijk is geen creationistisch wetenschappelijk werk, waar de overgrote meerderheid van plaats wordt gespendeerd aan het ontkrachten van de evolutietheorie en het promoten van het creationistisch ziensbeeld. In dit opzicht vind ik dit boek dan ook een vrij unicum op het gebied van creationisme. De schrijver is uiteraard een creationist, en neutraliteit is dan ook moeilijk, dit boek beoogt dat dan ook niet te bereiken. Maar toch denk ik dat het boek een aanwinst kan zijn welk ziensbeeld je er dan ook op na houdt. Het boek geeft namelijk een encyclopedisch overzicht van het ontstaan van de evolutietheorie en de verschillende wereldbeelden vanaf het ontstaan van de Bijbel tot in onze eeuw. De eerlijkheid gebied mij wel te stellen dat je als evolutionist waarschijnlijk hier en daar wel geërgerd zal worden, enerzijds doordat het geen affiniteit heeft met Darwin als belangrijke bioloog, anderzijds toch altijd het creationisme als uitgangspunt wordt genomen. Vooral voor christenen, denk ik, is van belang hoe b.v. de kerkvaders over creationisme/evolutionisme dachten. We hebben vaak de neiging het evolutionisme te laten beginnen met Darwin, maar ook al ten tijde van b.v. Aristoteles bestonden er evolutionistische theorieën. De meeste daarvan worden in dit boek vernoemd, al worden ze niet allemaal met hetzelfde gewicht besproken.

Mart-Jan Paul heeft ook een prettige schrijfstijl waardoor het boek heel gemakkelijk leest, bijna als een historische roman eigenlijk. Het is ook toegankelijk voor niet wetenschappelijk geschoold publiek, wat het lezen ervan enkel ten goede komt. Mart-Jan Paul maakt ook niet de vergissing om zich fel buiten zijn vakgebied te begeven en aan biologische waarheidsvinding te doen. Dat doet hij niet, en is volgens mij ook niet zijn bedoeling. Als je dus een werk zoekt die de biologische valabiliteit van de scheppingsleer verdedigt, dan zal dat boek je waarschijnlijk niet bekoren. Als je een werk zoekt dat je inzicht geeft in de verschillende aspecten van hoe de evolutietheorie tot stand kwam, en hoe we als christen daar in zekere mate tegenwicht aan kunnen bieden door hoe b.v. de kerkvaders hier tegenaan keken, dan is dit boek voor jou een goede aankoop. Verder krijg je ook een bijzonder mooie schets, een theoloog van het Oude Testament waard, van hoe Genesis 1-11 gelezen kan worden en hoe het zich verhoudt tot de rest van de Bijbel. Het is dus vooral een theologisch boek, en geen biologisch wetenschappelijke verhandeling.

Jehovah’s getuigen en kindermisbruik – het rapport

Inleiding

Zowat een maand of twee geleden werd het rapport “Seksueel misbruik en aangiftebereidheid binnen de gemeenschap van JG” gepubliceerd. Een rapport die onderzoekt wat in de titel staat naar aanvang van een onderzoek gedaan door de Universiteit Utrecht.

Er is veel te doen op het moment rond Jehovah’s getuigen en kindermisbruik. In verschillende landen zijn al onderzoeksrapporten gepubliceerd zoals Australië, het Verenigd Koninkrijk en hier in België. Dit betreft een Nederlands onderzoek. Jehovah’s getuigen hebben veel moeite gedaan om te verhinderen dat dit rapport openbaar zou worden gemaakt. Volgens mij was dat echt niet nodig. Het rapport is enerzijds zeer neutraal en anderzijds bijzonder verzoenend naar Jehovah’s getuigen toe. Ook de aanbevelingen die het rapport doet zijn zelfs binnen Jehovah’s getuigen goed haalbaar. Het rapport is in feite een verademing tussen de zeer emotionele stemmen zowel pro als contra die men te horen krijgt. Verstaanbaar, want kindermisbruik is een bijzonder emotioneel thema, maar anderzijds wordt er steeds een zeer zwart-wit conclusie getrokken.

Het rapport

Eerst en vooral mag benadrukt worden dat Jehovah’s getuigen heel goed hebben meegewerkt aan het rapport, en dat zowel het bestuur als individuele leden. Van de personen die (een deel van) de enquète hebben ingevuld, waren zo’n 48 % nog steeds Jehovah’s getuige. Bij de tien diepteinterviews die werden afgelegd was dat 60 %. Dit getuigt ook voor het rapport die blijkbaar geprobeerd heeft een zo evenwichtig mogelijke analyse te bekomen van Jehovah’s getuigen en ex-Jehovah’s getuigen.
Je merkt dan in feite ook een duidelijke discrepantie tussen de beleving bij Jehovah’s getuigen en bij mensen die niet meer Jehovah’s getuige zijn. Het algehele rapport cijfer was een 3.3, maar dit geeft enerzijds ook een beetje een vertekend beeld omdat het meest gegeven cijfer een 1 was. 57 % heeft dit cijfer gegeven. 75 % van de respondenten gaven de afhandeling door Jehovah’s getuigen van de kindermisbruikzaak die ze rapporteerden een onvoldoende. Toch moet rekening gehouden worden dan 10 % van de respondenten de afhandeling een 8/10 geven, wat dan weer een vrij goed cijfer was. Interessant is dan ook de discrepantie tussen Jehovah’s getuigen en ex-Jehovah’s getuigen: terwijl ex-Jehovah’s getuigen een gemiddelde van 1.5/10 gaven, was dat bij Jehovah’s getuigen een krap voldoende 5.8/10. Dit laatste cijfer is niet zo heel veel lager dan het gemiddelde cijfer dat men aan de politie gaf, nl. 6.6/10. Opnieuw waren de ex-Jehovah’s getuigen hier iets kritischer dan de Jehovah’s getuigen zelf

Al bij al dus, terwijl er zeker verbeteringen moeten komen, lijkt de afhandeling niet “dramatisch” slecht te zijn. Men moet ook rekening houden dat je met een vorm van rancune achterblijft bij misbruik, die heel moeilijk te compenseren valt. Je bent namelijk in je integriteit getroffen, meestal door personen die je vertrouwde of waarbij je je veilig voelde.

Het grootste probleem bij Jehovah’s getuigen ligt natuurlijk bij de discrepantie tussen zonde en misdrijf. Jehovah’s getuigen, terwijl ze het zelf in een hedendaagse beschrijving een misdrijf noemen, behandelen eigenlijk alleen maar zonden. Een comité wordt niet opgestart om een misdrijf onder de loep te nemen en adequaat te straffen, maar om te kijken of de zonde groot genoeg is, en zonder berouw is gebeurd, waardoor uitsluiting mogelijk wordt.
Zelf snap ik ook wel dat je niet met de dader van je misdaad geconfronteerd wilt worden, zoals nog in dezelfde koninkrijkszaal te zitten als die persoon, maar het is heel moeilijk hier een duidelijke oplossing voor te vinden. Daarom dat velen de Jehovah’s getuigen hebben verlaten, en anderen zelfs naar een andere koninkrijkszaal zijn beginnen gaan. Maar eigenlijk verschilt dat niet zoveel van hoe er in de maatschappij met de misdaad om kan worden gesprongen. Als je de persoon in kwestie zijn vrijheid teruggeeft, kan hij zich opnieuw overal vestigen, en is de kans ook groot dat je met hem/haar terug in aanraking komt. Misschien zou een Amerikaans model, waarbij een zedendelinquent zich bij elke verhuis terug moet melden bij de politie een oplossing zijn. Binnen de Jehovah’s getuigen is het euvel dat men met zijn dader wordt geconfronteerd iets groter omdat ze een kleinere gemeenschap vormen. Hiervoor zie ik niet meteen oplossingen, tenzij misschien iemand voor altijd uit te sluiten, maar dat is natuurlijk binnen de gedachtegang van Jehovah’s getuigen niet mogelijk.
Wel ben ik een absolute voorstander om elk misbruik, of zelfs elke misdaad, aan de autoriteiten aan te geven, zodat die hun werk kunnen doen over het strafgehalte van de zaal. Daar mogen Jehovah’s getuigen zich niet boven stellen.

De aanbevelingen

Zoals al gezegd zijn de aanbevelingen bijzonder verzoenend en zeer neutraal. Ze zijn ook over het algemeen heel haalbaar binnen de Jehovah’s getuigen. Ik vond het dan ook vreemd hoe ze te keer gingen tegen dit rapport. Ze zouden het misschien beter kunnen aanvaarden en er hun lessen uit trekken. Is het niet belangrijk dat we de kinderen, ook binnen de Jehovah’s getuigen gemeenschap beschermen, tegen personen die het niet zo nauw nemen met hun bescherming?

De volgende aanbevelingen werden gedaan:

  • Heb meer aandacht voor (vermeende) slachtoffers;
  • Vervlecht intern tuchrecht met extern strafrecht;
  • Richt een intern meldpunt in voor slachtoffers van seksueel misbruik;
  • Breng jaarlijks verslag uit van de activiteiten van het intern meldpunt;
  • Train en onderwijs ouderlingen;
  • Investeeer in openheid en transparantie;
  • Investeer in een cultuurverandering. Misschien is deze het moeilijkst haalbaar binnen Jehovah’s getuigen, omdat men aanraadt vrouwen toe te laten in de hiërarchie. Dat zou een verregaande aanpassing vragen van hun regels die ze waarschijnlijk niet kunnen waarmaken.

Het rapport is hier te downloaden.

Boekrecensie: Reviewing 2013 New World Translation of Jehovah’s Witnesses – Edward D. Andrews **

Eigenlijk zou ik kunnen volstaan met de stellen dat dit boek niet levert wat de titel belooft. Alleen al daardoor verdient het amper sterren. De NWV wordt er amper in naar voren gehaald. Eigenlijk worden vooral andere Bijbels over de hekel gehaald vooral op enkele punten waar de dogma’s van Jehovah’s getuigen wordt gevolgd, vooral dan op het gebied van de onsterfelijkheid van de ziel. Voor Nederlandstalige lezers zal het trouwens ook een beetje een ver-van-hun-bed-show zijn omdat de meeste geuite kritiek op andere vertalingen, dan met name het vertalen van Gehenna, Sjeool en Hades door hel in de modernere Nederlandstalige vertalingen allang niet meer gebeurt.

Verder maakt hij elementaire fouten op het gebied van geschiedenis. Zo gaat hij mee in de uitleg rond Gehenna die de Jehovah’s getuigen eraan geven. Maar als je b.v. het boek 1 Enoch leest dat gedateerd wordt tot zo’n 3 eeuwen voor onze jaartelling dan merk je dat de uitleg van Gehenna allang was vergeestelijkt en dat het dus heel goed kan dat Jezus bij het verwijzen naar Gehenna naar veel meer verwees dan uitsluitend de vuilnisbelt buiten de muren van de stad (hoeft trouwens niet, maar de optie moet wel open gehouden worden). Hij gaat ook zelden in op de vertaalkeuzes van deze bijbelvertalingen waardoor je eigenlijk bijzonder weinig informatie krijgt.

Verder betrap ik hem er verschillende keren op dat hij in bijbelvertalingen Lord zelf veranderd heeft in Jehovah. Iets dat ik een zichzelf respecterende wetenschapper niet snel zal zien doen. Het was trouwens de reden dat ik even dacht dat hij zelf een Jehovah’s getuige was, maar dat blijkt niet, want hij heeft nog enkele andere werkjes geschreven waar hij bepaalde stukken van de leer van Jehovah’s getuigen bekritiseerd.

Over Edward D. Andrews is er trouwens sowieso niet veel te vinden. Gewoon dat wat hij over zichzelf zegt, namelijk dat hij een Master of Divinity en een master of Biblical studies heeft. Verder is hij amper vijftig en zou al 77 boeken geschreven hebben. Ik wou ook even de uitgeverij doorlichten, daar ik die niet kende, en er toch zeer veel waarde zit achter een uitgeverij, zo mag je zeker zijn dat uitgeverijen zoals Mohr-Siebeck of Eerdmans wetenschappelijk correcte informatie zullen publiceren waar er danig aan gewerkt is geweest. Nu blijkt deze Edward D. Andrews zelf de CEO te zijn van Christian Publishing House, de uitgeverij van dit boekje. Ik voelde al enige nattigheid toen ik merkte dat Christian Publishing House vooral blijkbaar boeken uitgaf van Edward D. Andrews. Terwijl dat uiteraard op zich niets wil zeggen, neigt het wel te denken dat het boek eerder een self published item is waar weinig mensen de correctheid van de gegevens hebben getoetst, laat staan dat het door peers werd getoetst.

Het grote probleem met het boek echter is dat het meer weg heeft van een sektarisch traktaat, met heel veel dogmatische informatie in de vorm van korte essays. En dat is natuurlijk niet wat je verwacht van een boek dat beweert de 2013 uitgave van de NWV te bekijken. Dan verwacht je dat de schrijver zich inlaat met vertaalproblemen, maar dat doet hij zo goed als nergens, al zeker niet wat de NWV betreft. Verder is de structuur van het boek bijzonder verwarrend. Het is niet altijd duidelijk wanneer hij de mening van iemand anders of zijn eigen mening verhaald, omdat hij heel inconsistent is met aanhalingstekens en zo goed als geen structuur in het boek heeft aangebracht.

Ik voel me dus met andere woorden wel een beetje bedrogen.