Vergankelijkheid

“De dodelijkste ziekte, is het leven zelf”, zei ooit een personage in één of andere film.
Jups, er is één vaststaande zekerheid in het leven waarvan er naar mijn weten nog nooit iemand is geweest die er onderuit is geraakt… We gaan dood! Rijk, arm, lief, klootzak… Als we maar lang genoeg wachten verdwijnt elke klootzak wel vanzelf!
Dat vele mensen de gedachte achter doodgaan niet zo aangenaam vinden bewijzen de talloze religies en gedachten over een hiernamaals.
En terwijl ik zelf niet bang ben voor de dood, kan ik ook aangegrepen worden door mijn eigen vergankelijkheid.
36 ben ik inmiddels… Wie had ooit kunnen denken dat ik het zover had kunnen laten komen!
Neen, plots is het niet gekomen… Heel sluipend begonnen zich de eerste tekenen te verschijnen toen ik zonder opwarming geradbraakt geraakte na het uitvoeren van een flik-flak of een rugwaartse salto, en de jongens waarmee ik trainde opeens wel erg veel jonger leken te zijn dan ik. Vervolgens lijk je gewoon niet meer zo hoog te kunnen springen, en lijken die benen die ooit van rubber leken nu opeens wel van hout.
Opeens lijk je voor wat je ooit als gewone sport hebt gezien veel te oud en kun je op geen enkele manier nog mee, en te jong voor het conditieturnen met de vijftigjarigen.
En tien jaar later? Ja, dan lijkt sporten opeens een opgave.
Als de rugpijn, de grijze haren en het buikje :$ komen opzetten, weet je hoe laat het is!
En als opeens jonge mensen van 17 je met mijnheer beginnen aan te spreken zonder dat je moet verwachten dat ze het tegen je vader hebben die achter je staat, weet je dat je jezelf geen jonge gast meer mag noemen.

Als jongere dacht ik altijd dat je met ouder worden ook “oudere” gedachten en gevoelens kreeg. Ent terwijl dat in zekere mate waar is – zo zul je in veel zaken waarbij je je gevoel als jongere liet primeren rationeel over nadenken als volwassene – kan het op geen enkele manier tippen aan de verwachtingen die ik als jongere had.
Ja, ik heb nog steeds dromen, ik wil nog steeds nieuwe dingen proberen…
En ja, in feite leef ik nog steeds mijn leven alsof ik het eeuwige leven heb.
Elke avond ga ik slapen met de gedachte dat ik de volgende morgen wel weer wakker zal worden. Elke dag doe ik mijn werk en sluit die ’s avonds af met de voorbereidingen waaraan ik de volgende dag zal werken.
“Wat als je nog maar een dag zou bestaan” is niet meer dan een regel uit een lied van Marco Borsato; leuk om naar te luisteren, maar na vier minuten begint een ander liedje.

Waarom deze overpeinzing?

Shannon Miller…
Waarschijnlijk zullen weinigen deze sportvrouw kennen.
Toch was ze één van mijn sporthelden uit de jaren ’90 en kon ik haar uren bewonderen.
Een Amerikaanse topturnster die in de jaren ’90 verschillende belangrijke titels in de wacht sleepte, en een nagenoeg perfecte afwerking had.
Zelden heb ik turners zo’n prachtige landingen zien maken.
Terecht wordt ze dan ook gelauwerd als één van de groten.
Ze is 34 nu… jups, bejaard in termen van de artistieke gymnastiek.
Ik moet wel erg oud zijn, want ik vind haar een erg aantrekkelijke vrouw! Was ik twaalf geweest had ze wel mijn moeder kunnen zijn!
Maar anyway, op het ogenblik voert deze dame, een strijd tegen de grote K. En mooier dan hoe ze het zelf verwoordt kan ik niet: Kanker discrimineert niet.
Toch vond ik het schokkend toen ik dat opeens gisteren bij het surfen te weten kwam.
Tezamen met de aflevering enkele weken geleden in Koppen “Dagboek van een morfineverslaafde” over Kim Kay, waar ik razend verliefd op was als jonge twintiger, en de dood door overdosis van Corey Haim vorig jaar, merk je dat het leven doorgaat, ook zonder jou.