Is een fundamenalistische kijk op de bijbel, de enige mogelijke kijk?

Naar Burggraeve

Inleiding

Het woord fundamentalisme is afgeleid van een werk uit het begin van de twintigste eeuw “The fundamentals” geredigeerd door R.A. Torry, die de vijf basisdoctrines van het christelijke geloof naar voren wilde brengen. Deze zijn volgens dit werk:

  • De goddelijkheid van de Heer Jezus Christus (Joh 1,1; Joh 20,28, Heb 1,8-9), de schepper God zelf die de basis van deze aarde legde.
  • De maagdelijke geboorte (Jes 7,14; Mt 1,23; Luk 1,27)
  • De bloedverzoening (Han 20,28; Rom 3,25; Rom 5,9; Ef 1,7; 1,12-14)
  • De Verrijzenis in het vlees (Luk 24,36-46; 1 Cor 15,1-4; 1 Cor 15,14-15)
  • De onfeilbaarheid van de geschriften zelf (Ps 12,6-7; Ro 15,4; 2 Ti 3,16-17; 2 Pe 1,20)

Bijbels fundamentalisme heeft betrekking op dit laatste punt. Bijbels fundamentalisme ziet namelijk de bijbel als het dictaat van God. Het wordt dan ook letterlijk beschouwd als het woord van God, zonder enige fout. Volgens prof. Bieringer kan deze vorm van fundamentalisme, echter leiden tot bijbelmoeheid, want met het verwerpen van de letterlijke bijbel, verwerpen velen dan ook het geloof in zijn geheel.

De vraag is dan ook of bijbels fundamentalisme de enige mogelijke kijk op de bijbel is. Dient inspiratie (zoals we dat terugvinden in de Vulgaat bij 2 Ti 3,16) automatisch vertaald te worden naar dictaat van God.
Hiertegen ageert Burggraeve, door zelfs deze vorm van letterlijk nemen van de bijbel, te vergelijken met idolatrie van de bijbel, terwijl ons juist door diezelfde bijbel verboden wordt om enig beeld van God te maken.
Burggraeve stelt dan ook de contradictie dat het “… niet waar is omdat het in de bijbel staat, maar dat het in de bijbel staat omdat het waar is… Als het waar is”.

Problemen met een letterlijke bijbel

Ik heb hier allerminst de intensie om een bepaalde lezing van de bijbel te promoten, noch een letterlijke, noch een wetenschappelijke, noch een literaire-kritische.
Toch zijn er enkele problemen die men niet onder de tafel kan schuiven als men de bijbel letterlijk gaat nemen.
Enerzijds is er de contradictie tussen de God van het OT en de God van het NT. Respectievelijk een God van gerechtigheid en een God van liefde. Velen die voor de eerste maal het OT lezen zullen geschokt zijn door de wreedheid die aan God wordt toegeschreven. Anders is men ook enkele dingen uit het NT als niet meer valabel de dag van vandaag gaan beschouwen, zoals de ondergeschiktheid van de vrouw.
Prof. Bieringer stelt dan ook dat er twee mogelijkheden zijn om hiermee om te gaan; ofwel bekent men schuldig, en verwerpt men de formativiteit van de bijbel in zijn geheel, ofwel ontkent men deze beschuldigingen en kan men de formativiteit van de bijbel behouden.

Er is echter ook nog een andere mogelijkheid… Dat is de inspiratie niet als dictaat te gaan beschouwen. De tekst in zijn historisch-kritische plaats te zetten en de tekst inspiratie voor de lezer te laten zijn. Een tekst die al geïnterpreteerd is in de tijd, door de schrijver, en nu nogmaals geïnterpreteerd wordt door de lezer.

Een mooi voorbeeld hiervan kunnen we zien in de geschiedenis van het ontstaan van Israël. Volgens Jozua moesten de stammen zevenmaal rond de muur van Jericho trekken, en tijdens de zevende maal moest op de hoorns geblazen worden, en moest het volk schreeuwen, waarna de muur zou instorten. Echter door de archeologie blijkt de stad Jericho in die tijd niet ommuurd te zijn. Ook de volgende stad, waarvan ze eerst verloren door ongehoorzaamheid, en vervolgens toch konden inpalmen, Aï, betekent letterlijk ruïne en was in de tijd van deze belegering niet bewoond.
Meer nog, waarom zijn de namen van de zonen van Israël, allemaal verbonden met de natuur, in plaats van met karaktertrekken?

Een filosofische lezing

Volgens Ricoeur en anderen verleent de bijbel zich in oorsprong niet als een filosofisch werk. Het heeft volgens hen veel meer affiniteit met de poëzie van de tijd of met de Griekse tragedie.
Toch is Burggraeve ervan overtuigd dat er een “denken is buiten het strikt filosofisch denken, en dat dit denken in de heilige Schrift te vinden is, zoals er trouwens ook in de andere, niet-bijbelse religies teksten zijn die gedachten bevatten die zin en betekenis voor het menselijk existeren en samenleven bevatten.”
Het is daarom belangrijk dat het niet het filosofisch denken is die in de tekst wordt gelegd, maar het filosofisch denken dat uit de tekst wordt gehaald. Men moet dan ook de schriftteksten niet (uitsluitend) gaan benaderen als beschrijvende teksten die toetsbare feiten weergeven, maar die “trans-empirische” perspectieven in zich meedragen, die dit toetsbare overstijgen. Het gaat eerder om teksten van geloof, dan teksten van geschiedenis.
Het gaat dan ook niet, volgens Burggraeve, om in de tekst op zoek te gaan naar “wetenswaardigheden”, maar vooral naar “onderrichtingen”, inzichten over de wereld, de mens, de maatschappij, de geschiedenis en de zin van het leven.

Conclusie

Ik ben het niet eens met Burggraeve die stelt dat bijbels fundamentalisme leidt tot idolatrie van de bijbel, althans niet meer dan hoe het in de katholieke Kerk wordt verwoord door het boek te bewieroken en te stellen: “dit is het woord van God”… Toch mogen we de historische-kritische methode niet veronachtzamen bij het benaderen van de Heilige Schriften. Het kan ons maar beter helpen om meer vat te krijgen op de teksten en ze een inspiratie te laten zijn vandaag voor ons. De Heilige Schrift, is inderdaad niet dood, is inderdaad geen tekst uit een voltooid verleden tijd, maar leeft voor ons gelovigen ook nog in deze tijd. En dat is volgens mij veel belangrijker dan een letterlijke of allegorische benadering van de tekst.

bron: Een wijze van Denken, Burggraeve