Een inleiding op het synoptisch probleem

De synoptische evangelies

De eerste drie evangelies in de bijbel (Mattheüs, Marcus en Lucas) worden de synoptische evangelies genoemd omdat ze zoveel gelijkenis met elkaar vertonen. Van de 662 verzen in het evangelie volgens Marcus zijn er 406 ook terug te vinden in zowel Mattheüs als Lucas. 145 enkel in Mattheüs, 60 enkel in Lucas en 51 enkel in Marcus.1

Het evangelie volgens Johannes wordt in deze vergelijking niet meegeteld, omdat het uiterst verschillend is ten opzichte van de andere evangelies.

De term synoptische evangelies werd voor het eerst gebruikt door Griesbach aan het einde van de achttiende eeuw, die voor het eerst gedrukt werden in 1774 als deel van zijn Libri Historici Novi Testamenti Graece en twee jaar later nog eens als Synopsis Evangeliorum matthaei, Marci et Lucae textum Graecum.2

Synoptisch komt van het Griekse συνωσις wat “tezamen kijkend” betekent. Griesbach koos dit woord doordat er zoveel gelijkenis te bespeuren valt tussen Marcus, Mattheüs en Lucas in de zending van Jezus Christus.

Toch is het idee dat er gelijkenis was tussen de evangelies geen idee dat pas rond de 18de eeuw de kop op stak. Al Tatianus combineerde in de tweede eeuw de vier evangelies in zijn Diatessaron, en ook Augustinus schreef een verhandeling met de titel De Consensu Evangelistarum (“De harmonie van de evangelies”).3 Deze was geschreven om de harmonie tussen de evangelieverslagen te bewijzen tegen degenen die hun schijnbare contradicties wilden aantonen.4

Maar vooral sinds de moderne bijbelkritiek aan het einde van de achttiende eeuw, werd dus serieus onderzoek naar de gelijkenissen tussen de evangelies gedaan.

Het Synoptisch probleem

Eén naslagwerk beschrijft beknopt dat het synoptisch probleem erin bestaat dat er tussen de drie synoptische evangelies een relatie met elkaar bestaat, het probleem is dan om de natuur van die relatie te bepalen.5

Het is namelijk opmerkelijk dat bij het onderzoeken van de Griekse tekst van deze synoptische evangelies gezien kan worden dat sommige gebeurtenissen in exact dezelfde bewoordingen in twee van de drie evangelies uitgedrukt zijn. Zo ziet men bijvoorbeeld in Marcus 8,13-32 dat er wat de werkwoorden betreft zo’n grote gelijkenis is met de corresponderende gedeelten in Mattheüs dat de teksten van beide als dezelfde tekst zou kunnen doorgaan.6

Maar hoe verhoudt zich nu deze relatie tussen de drie evangelies?

Tot aan de 18de eeuw werd algemeen aangenomen dat de volgorde waarin de evangelies in de bijbel voorkomen, ook de volgorde is waarin de evangelies geschreven zouden zijn. Ook nu nog houden bepaalde exegeten aan dit idee vast, maar langzaam kwamen andere stemmen op het toneel. Vooral de prioriteit van Marcus als het eerste evangelie waaruit zowel Mattheüs als Lucas zouden hebben geput heeft aan terrein gewonnen.

Maar er zijn meer stemmen: zo is er b.v. gesuggereerd dat de overeenkomsten tussen de evangelies het resultaat is door de afhankelijkheid aan mondelinge tradities of dat ze uit een vroeger evangelie hebben geput…7

Eén geleerde beschrijft het synoptisch probleem als drie spiekende studenten:

“Bij het analyseren van de examens [van drie studenten: Primus, Secundus en Tertius], vindt [een examinator] dat er vaak overeenstemming is tussen Primus en Secundus terwijl Primus vaak met Tertius verschilt, en Tertius vaak in overeenstemming is met Secundus waar hij met Primus verschilt, terwijl Primus en Tertius zelden met elkaar overeenkomen op de plaatsen waar ze met Secundus verschillen. Hij zal dan tot het besluit komen dat Primus, Secundus en Tertius samen zaten tijdens de examinatie en dat Secundus de jongen was die in het midden zat waarvan de twee aan de uiteinden hebben gekopieerd. Primus en Tertius konden niet van elkaar kopiëren omdat Secundus tussen hen inzat; waar Primus en Tertius met elkaar overeenkwamen, was dat het geval omdat zij van Secundus hadden gekopieerd…. Dit concreet voorbeeld illustreert een algemene regel: wanneer twee documenten met elkaar overeenkomen in stukken die ze gemeen hebben met een derde document en met geen andere, dat de veronderstelling is dat twee personen van de derde hebben geleend.”8

De mondelinge traditie: vormkritiek

Vormkritiek werd eerst en vooral toegepast op de teksten van het Oude Testament, en dit vooral op het gebied van de pentateuch, waar men ervan uitgaat dat verschillende redacteuren aan het werk zijn geweest. Men kwam vooral tot dit besluit doordat er verschillende stijltechnische problemen lijken te zijn in de tekst, waardoor het onmogelijk lijkt dat de pentateuch, die vanouds aan Mozes als schrijver werd toebedeeld, het werk zou zijn van één schrijver.

Pioniers zoals Karl Ludwig Schmidt, Martin Dibelius en Rudolf Bultmann zagen de mogelijkheden hiervan ook voor het Nieuwe Testament, waardoor de verschillende perikopen en gezegdes van Jezus in stukken werden gekapt en aan verschillende bronnen werden toegewezen.

Ook Westcott stelde dat een onafhankelijk gebruik van mondelinge tradities voor de gelijkenissen van de synoptische evangelies zorgde.

Terwijl ze het niet eens zijn over de manier waarop de vormkritiek gestalte zou hebben gekregen, hebben ze niettemin enkele aannames gemeen:9

  • De verhalen en gezegdes van Jezus circuleerden in kleine onafhankelijke eenheden.

  • Het overbrengen van het evangeliemateriaal valt te vergelijken met de manier waarop andere verhalen en religieuze tradities werden overgebracht.

  • De verhalen en gezegdes van Jezus hadden een zekere standaardvorm die voor het grootste gedeelte nog zichtbaar is in de huidige evangelies.

  • De vorm van een specifiek verhaal of gezegde maakt het mogelijk om te bepalen hoe het zich tot de vroege kerk verhield. Hierover zegt Bultmann het volgende: “The proper understanding of form-criticism rests upon the judgement that the literature in which the life of a given community, even the primary Christian community, has taken shape, springs out of quite definite conditions and categories. Thus every literary category has its life situation”.

  • Terwijl de vroege christelijke gemeenschap de gezegdes en verhalen van Jezus in bepaalde vormen goot, pasten ze deze ook aan aan hun eigen noden en situaties.

  • Klassieke vormcritici hebben verschillende criteria gebruikt die het hen mogelijk maakten om de leeftijd en de historische betrouwbaarheid van bepaalde perikopen te kunnen bepalen.

Toch is ook de vormkritiek niet behouden gebleven van kritiek. Vooral het feit dat ze de historiciteit van de evangelies in twijfel zouden trekken, hebben bij veel christelijke exegeten op dit gebied kwaad bloed gezet. Verder is hen ook in de schoenen geschoven dat ze te weinig aandacht zouden hebben besteed aan de rol van het individu bij het vormen en overbrengen van het materiaal. Verder lijkt de gelijkenis te groot te zijn om ervan uit te gaan dat de synoptische evangelies literair onafhankelijk waren. Dit lijkt vooral duidelijk te worden wanneer de parallelle verhalen naast die van Johannes worden geplaatst. Zo lezen we in alle vier de evangelies het verhaal waar vijfduizend mensen door vis en brood worden gevoed. In alle drie de synoptische evangelies (Mat 14,19b-20; Mark 6,41-42 en Luc 9,16-17) wordt in het Grieks het woord ιχθυς voor vis gebruikt. Dit is echter in het verhaal dat we in Johannes kunnen lezen (Joh 6,11-12), niet het geval, daar wordt ὀψαρίων voor vis gebruikt.

Lang werd geaccepteerd dat in de vroege kerk, mondelinge tradities een belangrijke rol speelden in de overgang van het materiaal dat in de evangelies werd opgenomen. Maar, zoals Dunn aangaf is de discussie van het synoptisch probleem meer een literair probleem geworden, terwijl de rol van de mondelinge tradities naar de achtergrond is verschoven.10

Er is dan ook zeker geen eensgezindheid over een oplossing voor het synoptisch probleem. In het vervolg van deze studie wil ik dan ook de verschillende theorieën die over de tijd zijn ontstaan kort toelichten.11

De Augustiniaanse hypothese

Augustinus, de bisschop van Hippo, bepleitte dat de volgorde waarin de evangelies in de bijbel voorkomen ook daadwerkelijk de volgorde is waarin ze geschreven waren; Mattheüs was oorspronkelijk in het Hebreeuws geschreven, zoals hij aangaf in zijn De Consensu Evangelistarum: “Van deze vier, is het waar, dat alleen van Mattheüs wordt beschouwd dat hij in de Hebreeuwse taal zou hebben geschreven; de anderen in het Grieks.”

Augustinus was in de vroege kerk niet de enige die geloofde dat er een Hebreeuwse – of eerder een Aramese – versie bestond van het Mattheüs-evangelie; Papias (ca. 60-130) was de eerste die stelde dat er een Hebreeuwse versie bestond, maar werd verder bijgestaan door latere kerkvaders zoals Iraenaeus, Origenes, Eusebius en Epifanius. Toch stelt Howard in zijn boek “Hebrew Gospel of Matthew” dat de verwijzingen en citaten van deze personen geen of weinig connectie hebben met het Mattheüs-evangelie zoals wij het nu kennen.12

Ook de decaan van Westminster stelde expliciet: “Er is geen basis om te denken dat enig deel van het verhaal ooit in enig andere taal dan in het Grieks bestond.”13

Marcus zou vervolgens Mattheüs nauwkeurig gevolgd hebben, maar zijn werk ingekort hebben. Iets wat twijfelachtig is, daar men er voornamelijk vanuit gaat dat verhalen eerder verbreed dan ingekort worden. Lucas zou dan Marcus hebben gebruikt, en geen weet gehad hebben van Mattheüs.

De Augustiniaanse hypothese werd door de Rooms Katholieke kerk als officiële leer aangenomen vanaf 1912, wanneer de Biblical Commision gesticht door Paus Leo XIII daarover een uitspraak deed.

In de twintigste eeuw werd zij gevolgd door Butler en Vaganay: Mattheüs was het eerste evangelie, dat gebruikt werd door Marcus als bron. Lucas maakte vervolgens gebruik van Mattheüs en Marcus als bronnen.

Wenham heeft er een aangepaste versie van overgenomen.14

Fragmentaire hypothese

Deze theorie is in feite een verdere uitwerking van de Augustiniaanse hypothese, en werd door Schleiermacher, een voorname theoloog uit de negentiende eeuw ontwikkeld.

Hij stelde volgende zaken voor:15

  • De evangelies ontstonden uit korte verhalen van Jezus leven en leerstellingen;

  • deze verhalen werden opgeschreven door de apostelen, die geen uitgebreidere werken raadpleegden;

  • Deze verhalen werden uiteindelijk samengebracht naar onderwerp, zoals natuurwonderen, parabelen, exorcismes…

De ur-evangelie hypothese

Een andere variatie op de Augustiniaanse hypothese is van de hand van Lessing (1729-1789) en Eichorn (1752-1827).

Zij gingen ervan uit dat er een oerevangelie aan de oorsprong van de evangelies lag. Dit evangelie zou oorspronkelijk in het Aramees geschreven zijn, wat de oorspronkelijke taal van Jezus was. Elke synoptische schrijver zou gebruik gemaakt hebben van een eigen versie van dit oerevangelie, wat de variatie en de gelijkenissen van de evangelies zou verklaren.

De Griesbach hypothese

Deze werd zo genoemd naar de 18de eeuwse geleerde die deze hypothese stelde. De prioriteit van het evangelie van Mattheüs staat buiten kwestie, maar wel vroeg hij zich af wat de chronologische volgorde van de twee andere evangelies was.

Hij gaat ervan uit dat de schrijver van het evangelie van Lucas zich bewust was van het evangelie van Mattheüs en dat de schrijver van Marcus op de hoogte was van beide voorgaande evangelies.

Deze hypothese werd gevolgd door geleerden zoals Farmer.

De twee-bronnen hypothese

Deze is tot op heden de meest populaire hypothese om het synoptisch probleem mee op te lossen. Weisse was de eerste die in 1838 de huidige chronologische volgorde van de synoptische evangelies in vraag stelde, en tot het besluit kwam dat Marcus Mattheüs vervangt als eerste evangelie. Verder zouden Mattheüs en Lucas niet enkel gebruik gemaakt hebben van Marcus als bron, maar een bijkomende bron gebruikt hebben, die de dag vandaag wordt aangeduid als Q (de naamgeving is dubieus, men weet eigenlijk niet zozeer waar de Q vandaan komt, maar tegenwoordig wordt algemeen aangenomen dat het de afkorting is van Quelle wat in het Duits bron betekent). De klassieke uitdrukking echter komt van Holtzmann.

De vier-bronnen hypothese

Dit is een uitbreiding op de twee-bronnen hypothese die door Streeter werd ontwikkeld. In aansluiting met de twee-bronnen hypothese gebruikten de schrijvers van de evangelies van Mattheüs en Lucas zowel Marcus als de onbepaalde bron Q, maar zouden ze elk nog hun eigen bron hebben gebruikt die voor het gemak M en L werden genoemd. Dit zou de verschillen verklaren in de evangelies.

De Farrer Hypothese

Dit is een meer recente theorie die door Farrer werd ontwikkeld, ook wel bekend als de “Marcus zonder Q theorie”. Mattheus zou zijn evangelie geschreven hebben met als bron Marcus terwijl Lucas zowel Marcus als Mattheüs zou hebben gebruikt.

Er is ook de mogelijkheid dat Lucas gebruik maakte van Marcus, maar dat Mattheüs zowel gebruik maakte van Lucas als Marcus.

Mattheüs volgt de tekst van Marcus iets meer nauwgezet met 43% werkwoordelijke overeenkomsten ten opzichte van 28% bij Lucas.

Als een woord onveranderd werd opgenomen bij Mattheüs dan is het waarschijnlijker dat het ook onveranderd is gebleven bij Lucas en vice versa. Dit is voor de twee vormen van de Farrer Hypothese geen probleem, maar het is problematischer voor de twee-bronnen hypothese, waar Mattheüs en Lucas beide onafhankelijk van elkaar Marcus hebben gebruikt.16

Eindnoten

1Easton, Matthew George, Easton’s Illustrated Bible Dictionary, Thomas Nelson, 1897, http://www.biblestudytools.com/dictionaries/eastons-bible-dictionary/mark-gospel-according-to.html (toegang 04-01-2016)

2Kloppenborg, John, Gospel Parallels/Parallel Gospels, in Biblical Theology bulletin volume 44 Number 3 (2014)

3Carson, Moo, Morris, An Introduction to the New Testament, Leicester: Apollos, 1993

4Smith, Paul, Clement of Llanthony’s gospel harmony and Augustine’s De Consensu Evangelistarium, in Church History and Religious Culture 94 (2014) 175-196

5Freedman, David Noel (ed.), The Anchor bible Dictionary, New York, Doubleday, 1992

6Brown, David, The synoptic problem, in The Expository Times

7Freedman, David Noel (ed.), The Anchor bible Dictionary, New York, Doubleday, 1992

8Poirier, John C., The synoptic problem and the field of New Testament introduction, in Journal for the Study of the New Testament, Vol. 32, 2009

9Deze aannames werden overgenomen uit Carson, Moo, Morris, An introduction to the New Testament, Leicester: Apollos, 1993

10Abakuks, Andris, The synoptic problem: on Matthew’s and Luke’s use of Mark, in Journal of the Royal Statistical Society (2012) 175, Part 4

11Ik gebruik hier de indeling uit The New Interpreter’s Bible Dictionary, Nashville: Abington, 2006

12Howard, George, Hebrew Gospel of Matthew, Mercer University, 1995

13White, John, The synoptic problem, in The Irish Church Quarterly, Vol. 1, No. 3 (1908)

14Goodacre, Mark, The synoptic problem, a Way Through the Maze, London, T&T Clark International, 2001

15The New Interpreter’s Bible Dictionary, Nashville, Abington, 2006

16Abakuks, Andris, The synoptic problem: on Matthew’s and Luke’s use of Mark, in Journal of the Royal Statistical Society (2012) 175, Part 4