Kinderen binnen een homohuwelijk

Inleiding

Onlangs kwam ik op een essay terecht van een vrouw die opgevoed is door twee lesbische vrouwen, en terwijl ze ooit een felle voorstander was van kinderen binnen een homo-huwelijk, komt ze nu uit de kast als in feite een tegenstandster hiervan. Het is trouwens niet de eerste keer dat ik op een essay stuit over dit onderwerp in de negatieve zin door iemand die door een homokoppel is opgevoed zonder dat de wederhelft van het biologische ouderschap nog in het leven van het kind aanwezig was.

Terwijl het tegenwoordig de consensus is om het vrij normaal te vinden dat een homo-koppel ook zijn kinderwens vervult, en waarover de felle voorstanders zelfs zeggen dat het beter is dan binnen een heterohuwelijk (heel vaak met voorwaarden, zoals een vader die afwezig is), is er eigenlijk weinig onderzoek hier naartoe verricht door neutrale, wetenschappelijke bronnen. En als er onderzoeken naar gedaan zijn, zijn die vaak op een verkeerde leest geschoeid. Zo gaat men vaak alle kinderen bekijken: de kinderen binnen eenoudergezinnen, de kinderen in nieuw samengestelde gezinnen, en dan uiteraard ook de kinderen binnen een homo-gezin. Het probleem met zo’n onderzoeken is juist dat ze niet de impact die de afwezigheid van een biologische ouder onderzoeken, maar onderzoeken wat het beste geval is in een eigenlijk al abnormale situatie. Zowel kinderen in één-oudergezinnen als kinderen in een samengesteld gezinnen ontberen al één van de biologische ouders. Verder is het vergelijken met een ouder die zijn/haar kind mishandeld vrij oneerlijk.

In onderzoeken die de ouderschapskwaliteiten onderzoeken lijkt een lesbisch koppel het beste uit de verf te komen omdat ze beide vooral gelijkheid ambiëren in het opvoeden van het kind, terwijl een homo-koppel (mannen) het slechtst uit de verf lijken te komen. Een hetero-koppel hangt er een beetje tussenin waar het vooral de moeder is die de zorgende taken van het kind op zich neemt. Een vrij klassiek beeld natuurlijk van het ouderschap.

Biologisch ouderschap

Heather Barwick (essay) stelt dat ze het grootste deel van haar jeugd verlangd heeft naar een vader. En daar kan ik vrij goed inkomen. Het spreekwoord luidt dat bloed kruipt waar het niet gaan kan. Ook in mijn eigen ervaring merk ik dat; zo’n anderhalf jaar geleden is mijn vader aan de gevolgen van kanker overleden. Ik had de man al twintig jaar niet meer gezien en al zeker zo’n vijfentwintig jaar niet meer als mijn vader beschouwd. Toch moest ik door een zekere rouwperiode heen bij het verliezen van deze man die er eigenlijk zelden is geweest. Een gevoel dat ik ook bij mijn jongste zuster bespeurde die dezelfde ervaring had wat onze vader betreft.

Heather stelt dat de lesbische partner van haar moeder die leegte niet kon opvullen. In de commentaren die op haar essay volgen, maken de mensen over het algemeen opnieuw de fout door het te vergelijken met een nieuw samengesteld gezin. Dat was het in feite wel waar Heather in terechtkwam, maar haar commentaar is aanzienlijk terecht dat we het vrij normaal vinden dat kinderen van gescheiden ouders een rouwperiode door moeten, of kinderen die in een nieuw samengesteld gezin terechtkomen zich daar moeten aan aanpassen (en daar tijd voor nodig hebben om het er het beste van te maken) en dat het logisch is dat het kind pijn ervaart bij het ontbreken van de biologische ouder.

Als we echter het welbevinden van kinderen willen bekijken in de context van een homo-huwelijk ten opzichte van een hetero-huwelijk, dan moeten we dit bekijken vanuit het standpunt waarin het kind geboren wordt. En daarom is misschien Heather niet de meest uitstekende woordvoerdster, daar ze het resultaat is van een gebroken gezin. Het gaat namelijk vooral of het verantwoord is binnen een homo-huwelijk (via donorschap b.v.) een kind op de wereld te zetten. En om dan ook te onderzoeken hoe het welbevinden van een kind is binnen een hetero-huwelijk waar beide ouders biologisch zijn, of binnen een homo-huwelijk, waar maar één partij een biologische ouder is, en waar er dus altijd een biologische partij ontbreekt.

Heather wil dan ook absoluut niet aanklagen dat haar moeder een slechte taak heeft volbracht. Uit haar essay blijkt duidelijk dat ze een grote liefde voor haar moeder heeft, maar dat ze wel haar vader heeft gemist. Ik zet hier opzettelijk “haar vader” want het gaat niet om “een vader”. Bloed lijkt gewoon niet door een andere partij vervangen te kunnen worden. Het probleem binnen het homo-gezin ligt dan ook niet in het feit dat beide partijen van dezelfde sexe zijn. Het koppel kan als ouders gewoon ronduit vergeleken worden met een nieuw samengesteld koppel waarvan de kinderen de nieuwe partner voor beter of voor slechter dienen te accepteren. Maar het lijkt erop dat die andere partij nooit de biologische ouder helemaal zal kunnen vervangen.