Overdenkingen over geloof en wetenschap

Inleiding

Iemand bekeren kun je niet. Dat wordt al in de Bijbel aangegeven wanneer Jezus stelt dat niemand tot hem kan komen tenzij de Vader hem trekt (Jh 6,44). Het is ook deze discussie die in de Reformatie bijzonder veelvuldig gevoerd werd: hebben we een vrije wil om te kiezen (of niet te kiezen) voor God, of is dat voorbestemd? Toch noemde Karl Barth deze voorbestemdheid vrijheid omdat God verwerpen eigenlijk juist geen vrijheid is. Blaise Pascal, wetenschapper èn gelovige, kon dan ook vrij zeker stellen: “Hij die niet gelooft, wordt niet overtuigd, en hij die wel gelooft heeft geen bewijs nodig.” Is het echt zo eenvoudig? We zien namelijk in alle lagen van de bevolking, in elk intelligentieniveau en elk opleidingsniveau gelovigen èn ongelovigen. Als christenen hebben we natuurlijk een bekeringsijver, maar zoals uit voorgaande blijkt is het juist niet wij die bekeren, dat maakt een debat niet zinloos zoals ook Petrus 3,15 stelt: “Vraagt iemand u waarop de hoop die in u leeft gebaseerd is, wees dan steeds bereid om u te verantwoorden”, maar het verlicht wel de verantwoordelijkheid van ons christenen: we worden niet op het matje geroepen als we te weinig mensen tot God zouden brengen. Uiteindelijk heb je maar invloed op één persoon, zoals ook het bekende spreekwoord luidt: “Wil je de wereld veranderen, begin bij jezelf.”
Het conflict tussen wetenschap en religie wordt eigenlijk vooral aan de meer extreme kanten van het spectrum gevoerd, en dat zowel op het gebied van (fundamentalistische) gelovigen als (fundamentalistische) ongelovigen. Maarten Boudry b.v., een beruchte atheïst die werkzaam is aan de universiteit van Gent, tweette nog niet zo lang geleden dat geen enkele zichzelf respecterende universiteit een faculteit theologie zou mogen hebben, dan kun je zowel een faculteit astrologie hebben, we weten tenminste dat sterren bestaan. Laat nu net de meest respecterende universiteiten juist wel een faculteit theologie hebben, in België, de Katholieke Universiteit van Leuven en in Amerika b.v. de bekende universiteiten van Harvard en Yale.

Aan de andere kant is het niet zo dat met de bijbel het verstand op slot moet, integendeel. Al in Thes 5,21 stelde Paulus: “Onderzoek alles, behoud het goede.” De raakpunten van geloof en wetenschap liggen in een open houding tegenover het onbekende en het mysterie. Maar misschien wringt net hier teveel het schoentje. Al Hawking stelde dat het bijzonder moeilijk is om de kosmos te onderzoeken, omdat we zelf een deel van die kosmos zijn.

Wereldbeelden

Alles hangt eigenlijk af van wereldbeelden. In tegenstelling tot wat de cursus stelt geloof ik wel dat er een onderscheid in wereldbeelden is, maar dat wil niet zeggen dat ze niet overlappen. Inderdaad ook gelovige mensen kijken de dag van vandaag met een wetenschappelijke bril naar de werkelijkheid. Maar neutraliteit is absoluut onmogelijk. Het is ook al te gemakkelijk om te concluderen dat het een onderscheid is tussen een mythologische en wetenschappelijke wereldbeeld zoals Albert Einstein naar voren bracht. Beide termen vind ik ongelukkig gekozen. Een wereldbeeld is per definitie gekleurd, maar wetenschap zou dat niet mogen zijn, wetenschap handelt namelijk over kennis, over wat we weten, niet (uitsluitend) over wat we denken. Ja, ik weet het, een vrij naïef beeld van wetenschap, juist omdat er mensen aan deelnemen, en mensen kunnen niet neutraal zijn. Liberaal humanistisch wereldbeeld zoals Harari het noemde, zou misschien beter de lading dekken. Of misschien iets neutraler: seculier wereldbeeld. Ik sta hier dus wel gedeeltelijk achter de ideeën van Habermas denk ik, die een te grote verdeeldheid zag van het levensbeschouwelijke terrein in twee kampen: vooruitstrevende wetenschap en techniek aan de ene kant en behoudende geloof en religie aan de andere kant.

Gelukkig is men hier toch enigszins een beetje van teruggekeerd door een conceptual compatibility te zien tussen het religieuze en het wetenschappelijke wereldbeeld. Maar het is waar zoals Caputo stelt dat we zo arglistig als slangen moeten zijn als we religieuze taal hanteren.

Het Kosmologisch determinisme maakt volgens mij de vergissing door te stellen dat geen enkele uitwendige kracht de wetten van de natuur en de kosmos kan opheffen of veranderen. Hiermee doen ze volgens mij (als christen) God te kort, en stellen ze God (en ook de hemel die ze ontkennen te bestaan) gelijk aan een deel van onze materiële werkelijkheid. Dat is ook wat Hawking stelt als hij verwoordt: “Ik gebruik het woord ‘God’ in onpersoonlijke zin, net als Einstein deed, voor de natuurwetten, dus het kennen van Gods denken is het kennen van de natuurwetten. Ik voorspel dat we tegen het einde van de eeuw Gods denkwijze kennen.” Het raakpunt van geloof en wetenschap ligt misschien wel in de open attidude tegenover het onbekende of het mysterie. We leven in een toenemende seculiere maatschappij waar een wetenschappelijk wereldbeeld wordt gehanteerd. Maar een wetenschappelijk wereldbeeld hanteert geenszins automatisch een atheïstisch wereldbeeld. Dat is iets wat de nieuwe atheïsten ons willen doen geloven. Mensen zoals Dawkins, Dennet, Hitchens, Harris hebben een bijzonder uitgesproken mening over religie en over het bestaan van God. Maar ze gaan vaak behoorlijk uit de bocht omdat ze zich ook willen begeven op terreinen waarin ze niet gespecialiseerd zijn. Hun kennis van Bijbel en traditie is vaak te ondermaats om hen op dit vlak serieus te nemen. Anderzijds begrijpen ze gelovigen ook simpelweg niet.

Verder hoeft een gelovig wereldbeeld niet meteen met een wetenschappelijk wereldbeeld te botsen (al kan dat uiteraard wel het geval zijn). Een goed voorbeeld hiervan is Theodius Dobshansky die geneticus en evolutionair bioloog was, maar toch geloofde in God. Volgens hem was de evolutie de creatiemethode die God gebruikte in de natuur. Ook William Paley stelde dat Darwin de doelgerichtheid van de natuur als bewijs van Gods plan gebruikte. En Lubbock concludeerde dan weer dat religie helemaal niet oppositioneel met wetenschap stond, de wetenschap zou alleen de onzinnige en bijgelovige kanten van religie tegenspreken. Ook Conway kwam tot soortgelijke conclusie, hij achtte dat men Darwin verkeerd begreep als men zijn theorie interpreteerde als een “recht van de sterkste”. Het ging niet om de overleving van de sterkste maar om de overleving van nederigheid, rechtvaardigheid en sympathie. En op die manier kun je dus Gods werk zien doorheen de evolutie. Darwin, die eigenlijk zelf heel zijn leven geworsteld heeft met geloof, vooral sinds de dood van zijn tienjarig dochtertje, maakte dan ook niet zozeer komaf met geloof, al is dat ook weer wel mogelijk en werd zijn theorie misschien wel door beide kanten vaak levensbeschouwelijk “misbruikt”. In een brief aan een vriend en collega schreef hij dan ook dat hij zich in zijn leven nooit een atheïst gevoeld heeft in de zin dat hij het bestaan van God ontkende. Maar Darwin maakte zelf ook enkele denkfouten, vooral omtrent de oorzaak van het kwaad, en de strijd in het bestaan, die ook toen al duidelijk in de zondeval verwoord werden. De wereld is inderdaad niet (alleen) mooi en wonderlijk, teveel proberen mensen met een christelijke achtergrond hier de nadruk op te leggen, en de “lelijkheid” van de natuur, dood en verval te verzwijgen en niet te verklaren. Dat moeten we misschien meer doen. “Waarom laat God het lijden toe”, is misschien wel één van de meest gehoorde vragen.

Het probleem is dat evolutie wel bepaalde zaken kan uitklaren maar anderen helemaal niet. Daar wordt in feite te weinig aandacht aan besteed. In cultureel opzicht heeft de mens een natuurlijke drang tot het goede, evolutionair kunnen we deze geneigdheid zien als een overlevingsdrang. Maar het probleem is dat we ook kunnen kiezen voor het kwade. Volgens verschillende evolutionaire wetenschappers, met misschien aan kop Dick Swaab in de Nederlanden, bestaat er niet zoiets als een vrije wil. Ze komen tot deze conclusie omdat bij een handeling, de trigger in onze hersenen voor deze handeling, al gemaakt wordt voordat we deze handeling uitvoeren. Maar niet iedereen is het hier opnieuw mee eens, er zijn net zo goed hersenwetenschappers die zich tegen deze visie keren, verder kunnen ze het bewustzijn niet verklaren. Een heel mooi boekje hieromtrent is “Out of our heads: Why you are not your brain, and other lessons from the biology of Consciousness” van Alva Noë.

Ook liefde is zo’n begrip die moeilijk te verklaren, of in wetenschappelijke beelden, te gieten is, juist doordat het een subjectief begrip is en subjectieve ervaring kan niet met een wetenschappelijke methode geanalyseerd worden. We zien wel sympathie en empathie bij enkele hogere primaten, maar het is vooral de mens die zich relationeel ontwikkeld heeft. Waarom? Enkele 19de eeuwse filosofen probeerden dit te overbruggen met het idee van het dialogisch denken. We hebben het hier dan over Martin Buber (1878-1965) en Emmanuel Levinas (1906-1995). Vooral Levinas idee vind ik interessant die de erkenning van het anders-zijn van de ander aan de transcendente andersheid van God verbindt, die in het gelaat van de ander zijn spoor naliet.

Wat of wie is God?

Op afbeeldingen zien we God vaak zitten op een glorierijke troon omgeven door engelen die hem bezingen en die neerkijkt op de aarde. Een beeld die in feite is afgeleid uit wat er in openbaringen wordt beschreven dat aan het einde der tijden zou gebeuren. Jezus zou immers koning over de aarde worden. Ook al in Daniël, het meest apocalyptische boek uit het Oude Testament maakt Dan 2,44 duidelijk: “Maar ten tijde van die koninkrijken zal de God van de hemel een rijk laten opkomen dat nooit te gronde zal gaan en dat nooit op een ander volk zal overgaan. Het zal al die koninkrijken verbrijzelen en vernietigen, maar zelf zal het eeuwig bestaan.” Als je in de Salvator kerk in Brugge plaatsneemt en achter je kijkt zie je God met een lange baard en een staf in zijn handen.

Het is echter een beeld die vrij kinderlijk aandoet, en die vaak niet zorgt voor genoegdoening bij intelligente mensen (of moet ik eerder geschoolde mensen zeggen?).

Het is dan ook interessant dat in het Judaïsme afbeeldingen van God verboden werden (zoals we al kunnen opmaken uit de tien geboden). Dit werd later zelfs zo rigoureus opgevat dat elke afbeelding binnen het Judaïsme verboden werd.

Het is ook op die manier dat Einstein b.v. “religieus” was. Ik zet religieus tussen aanhalingstekens omdat ik ook wel sterk het gevoel heb dat zijn bewondering vaak ligt in het praktische van de religie, dan met name de liefde, dan werkelijk in het geloven in hogere entiteiten. Einstein wees ook op de sterkte van religie, zijnde de houding van complete toewijding en overgave aan de waarheid en niet zozeer aan wat de mythologische voorstellingen voorhouden. Het is bijna ironisch te stellen dat één van de bedenkers van de atoombom ook bijzonder veel waarde hechtte aan de liefde, en eigenlijk zelfs een pacifist genoemd kan worden. Dat zien we b.v. in zijn briefwisseling met Freud, waarin hij de psychiater onomwonden vroeg of er een manier was om de liefde in de instelling van de mens te bakken. Het antwoord van Freud is volgens mij bijzonder interessant. Zijn uitspraak dat “het levende wezen zijn eigen leven behoudt door het vernietigen van het leven van de ander”, lijkt bijzonder mooi verweven te zijn met de evolutietheorie, maar dan wel vaak met de vergissing dat het om de wet van de sterkste gaat, in plaats om de wet van de meest aangepaste. Misschien dezelfde fout die de Nazi’s maakten toen ze hun gedachten rond Lebensraum ventileerden, met alle gevolgen van dien. Ik zie bij Freud als hij stelt dat bij de vele zaken die men probeert voor een vrijer leven, van de afschaffing van privaat-eigendom tot vrije liefde, dat men steevast op een sektarische manier probeert te bestrijden van wie anders denkt en doet, mijn eigen visie op het dogmatisme van de mens: de mens is van nature dogmatisch, we houden er een zekere aversie op na voor iedereen die anders denkt dan ons, en dat is met het verdwijnen van geloof, helemaal niet veranderd, dat bewijzen de vele atheïstische (vooral) communistische regimes, maar al te goed. Alleen de accenten zijn verschoven. Daarom dat sektes ook zo welig floreren, zelfs, als men het onderzoek mag geloven, bij hogeropgeleiden. Daar was Jezus en zijn “leer” eigenlijk revolutionair in. Het ging namelijk juist niet om een leer (daarom zet ik ook dit woord tussen aanhalingstekens) het ging om liefde. Zijn discipelen zouden zich niet van anderen onderscheiden doordat ze allen hetzelfde geloofden, maar wel omdat ze liefde onder elkaar hadden (Joh 13,34-35). En dat is vaak het misbruik binnen sektes, die eenheid verwarren met uniformiteit (uniformity in place of unity).

Geloof is vooral ervaring

In een preek die ik ooit hoorde kwam naar voren dat de prediker, zijn zekerheid van zijn geloof, als het ware het weten dat God bestond, niet ontleende aan enige wetenschappelijke overweging, zoals in het begin van deze paper ook Pascal werd aangehaald, maar uit de ervaring dat hij God gevoeld heeft. En per definitie is ook ervaring subjectief. Ook dit is niet met een wetenschappelijke methode te testen. Het is niet herhaalbaar en niet verifieerbaar. Daarom is er ook zo’n discrepantie volgens mij tussen gelovigen en ongelovigen, gelovigen kunnen niet begrijpen dat iemand niet overal de Heilige Geest in ziet, en ongelovigen begrijpen niet dat iemand zo naïef kan zijn te geloven dat er iets hogers dan het materialistische bestaat. En op die manier praat je steeds naast elkaar. Dat haalt Sesboué ook aan bij de vele Maria ervaringen in de 19de eeuw in Fatima en Lourdes. Het zou gemakkelijk geweest zijn, moesten we alle mensen die op die plaatsen een Maria-ervaring hebben gehad aan de kant konden schuiven als marginalen, onopgeleiden, als mensen die psychisch aan de labiele kant waren. Maar dat is juist niet geval. Er waren onder degenen die Maria-ervaringen hadden ook hogeropgeleiden, mensen die de ratio altijd boven het gevoel stelden, ingenieurs, medici… Volgens Sesboué is een wonder, zoals een wonderbaarlijke genezing dan ook helemaal niet het vlak van de geneeskunst, maar zou het juist de geneeskundige sieren als hij het raadsel een raadsel durfde te noemen. Hippocrates stelde al dat de essentie van een goede wetenschapper erin bestond om te durven zeggen: ik weet het niet.

En ja, vele van deze ervaringen lijken wetenschappelijk te verklaren, en misschien zijn ze dat zelfs ook, maar voor iemand die die ervaring heeft ondergaan, is de ervaring te diep om zich uitsluitend op het wetenschappelijke te beroepen. Zo haalt Dick Swaab in zijn boek “Wij zijn ons brein” het idee van een buitenlichamelijke ervaring aan. De ervaring kan namelijk door bepaalde delen van de hersenen te beïnvloeden, getriggerd worden, maar voor iemand die de ervaring heeft ondergaan is dit onvoldoende bewijs. Het gevoel primeert boven de ratio. Aan de andere kant kunnen we ons ook afvragen waarom dit in onze hersenen geprogrammeerd is. Niet voor niets wordt soms gesproken over het godsdeeltje in onze hersenen die de ervaring kan triggeren dat we God ontmoeten. Opnieuw zo moeilijk wetenschappelijk te verklaren, en aan de andere kant blijft de vraag: Waarom is dit aanwezig? Ook het bewustzijn is een probleem apart. Misschien is dat juist de manier waarop God met ons wilt communiceren. Maar opnieuw dit vraag je enkel af als gelovige, en niet als ongelovige. Opnieuw de verschillende wereldbeelden, en het gebrek aan ervaring van de scepticus.

Net zo met oneindigheid. De bijbel stelt dat God oneindigheid in het hart van de mens heeft gelegd (Pred 3,11). We leven dan ook met het idee eeuwig te leven. De dood is altijd voor iemand anders, tot we ermee geconfronteerd worden. Dat doet me b.v. denken aan de laatste momenten van Marie-Rose Morels leven. Ze was al afgeschreven, ze had nog amper maanden te leven, en toch zat ze nog plannen te maken om de zomer van het jaar waarin ze stierf op vakantie te gaan, een vakantie die ze uiteraard niet meer heeft kunnen beleven. Onlangs vroeg mijn moeder zich af of je als je in de tachtig bent, besefte dat elke dag de laatste kon zijn.

De Bijbel is een geloofsboek

Nietzsche, en in zijn kielzog zowel Hegel voor hem als Wittgenstein na hem, stelde dat er niet zoiets bestaat als waarheid, enkel interpretatie. Dat zien we b.v. al als we het vroege christendom bestuderen. Het is een opeenstapeling van meningen en discussies geweest. En dan zouden we misschien kunnen denken dat dit eindigde toen het orthodoxe christendom staatsgodsdienst werd, in de 4de eeuw, maar ook dan stopten de discussies en controverses niet. Origenes (2de eeuw) b.v. stelde over de zes scheppingsdagen, dat ze onmogelijk letterlijke dagen zouden kunnen zijn geweest, want pas op de 4de dag worden de hemellichamen gecreëerd die de onderverdeling tussen dagen mogelijk maakte.

Spinoza stelde in de 17de eeuw de zekerheid dat Mozes de eerste vijf boeken (de pentateuch) van onze huidige bijbel heeft geschreven in vraag, met de eenvoudige, maar niet minder ingenieuze idee, dat Mozes toch onmogelijk zijn eigen dood zou kunnen hebben beschreven (Deut 34)? Het begin van de bronnentheorie was geboren.

In 2 Tim 3,16 wordt misschien één van de meest bediscussieerde verzen uit de Bijbel aangehaald: “Elke Schrifttekst is door God geïnspireerd.” Ja, één van de meest bediscussieerde, omdat hoe je inspiratie begrijpt, heel je kijk op de Bijbel bepaalt. Als je het als dictaat opvat, dan kunnen er geen fouten in de Bijbel staan. Dan moet alles zo gebeurd zijn als staat opgetekend, niet alleen omtrent de eerste elf hoofdstukken van Genesis, maar ook omtrent b.v. de discrepanties die we in de vier evangeliën terugvinden en die moeilijk verenigbaar lijken met elkaar. Een reden waarom b.v. iemand als Ehrman zijn (fundamentalistisch) geloof is kwijtgeraakt. Het is een zekerder geloof, omdat het je minder voor vragen en moeilijkheden plaatst, maar het risico bestaat ook zoals de Katholieke priester en geleerde Bieringer naar voren haalt, dat met het badwater het kind wordt weggespoeld.

Lemaïtre, die wel als een belangrijk figuur kan gezien worden omtrent het harmoniemodel tussen geloof en wetenschap als priester en astronoom en die de grondlegger is geweest van de Big Bang-theorie, verklaarde de verschillende visies omtrent de Bijbel en de seculiere wetenschap als volgt: “The writers of the Bible were illuminated more or less – some more than others – on the question of salvation. On other questions they were as wise or ignorant as their generation. Hence, it is utterly unimportant that errors in historic and scientific fact should be found in the Bible, especially if the errors related to events that were not directly observed by those who wrote about them… The idea that because they were right in their doctrine of immortality and salvation they must also be right on all other subjects, is simply the fallacy of people who have an incomplete understanding of why the Bible was given to us at all.” Deze uitspraak kan men zien als de volgende stap in de discussie tussen geloof en wetenschap. Gallilei b.v. stelde vroeger al dat hij geloofde dat de Bijbel vertelde hoe we in de hemel konden raken, maar niet hoe de hemel werkte. Ook de Katholieke kerk laat zich laatdunkend uit over een te letterlijke lezing van de Bijbel: “’Letterlijke interpretatie’, waarvoor een fundamentalistische lezing opkomt, is in werkelijkheid verraad aan zowel de letterlijke als de geestelijke betekenis en maakt de weg vrij voor verschillende vormen van instrumentalisering door bijvoorbeeld antikerkelijke interpretaties van de Schriften zelf te verspreiden. Het problematische aspect van een fundamentalistische lezing is dat zij weigert rekening te houden met het historische karakter van de Bijbelse openbaring en het zichzelf daardoor onmogelijk maakt ten volle de waarheid van de menswording zelf te aanvaarden. Het fundamentalisme gaat de nauwe relatie van het goddelijke en het menselijke in de betrekkingen met God uit de weg.” Maar dat leek althans niet altijd het standpunt van de katholieke Kerk te zijn geweest zoals we b.v. uit volgend citaat uit Dei Filius kunnen opmaken: “Wie niet alle boeken van de Heilige Schrift met al hun delen, zoals de kerkvergadering van Trente die heeft vastgesteld, als heilige canonieke geschriften erkent, of wie loochent, dat ze door God ingegeven zijn, die zij uitgesloten.”

De Kerk

Vaak wordt Galilei dan ook gezien als het symbool van de onverenigbaarheid tussen geloof en wetenschap. Toch was de discussie een stuk gecompliceerder dan men altijd naar voren brengt. Ja, de kerk geloofde in die tijd in het geocentrisch model zoals we die van Ptolemeaus hadden geërfd, maar dat deed zowat iedereen in die tijd. Wat Galilei, en voor hem Kepler ontdekte, was dan ook revolutionair, en elke verandering is moeilijk, dat is niet anders voor mensen binnen de kerk. Toch werd Galilei niet zozeer voor zijn ideeën veroordeeld, de kerk wilde vooral dat hij niet met de zekerheid sprak van zijn overtuiging, dat was het privilege van de kerk, ze wilden dat hij bleef stellen dat dit (maar) een hypothese was.

Dat was trouwens niet anders met de hogere tekstkritiek, waarvoor de kerk in het begin van zijn opkomst ook waarschuwde, de leden van de nouvelle théologie b.v. werden voor het tweede Vaticaans concilie bijzonder fel verguisd, om erna juist omhelsd te worden. Soms heeft de kerk even tijd nodig, net zoals mensen dat in het algemeen nodig hebben om aanpassingen aan hun denkwijze uit te voeren. Misschien doet de kerk dat soms zelfs wel te veel.

Tot besluit

Als theoloog probeer ik antwoorden te geven op prangende vragen van mensen die met zinvragen zitten, de antwoorden hierop zijn misschien wel de belangrijkste reden waarom ik theologie ben gaan studeren. Maar als christen heb ik vaak meer vragen dan antwoorden. Ik leg ze aan God voor, en hoop dat hij er mij antwoord op wil geven. Soms lijkt dat te gebeuren, andere keren niet. Daarvoor zou ik mijn geloof kunnen verliezen, omdat ik niet op alles een antwoord heb, maar dat heb je nooit, hoe graag we dat ook zouden willen.

Gods Koninkrijk is de essentie van heel de Bijbel, dat is volgens mij de rode draad. Maar wat is Gods koninkrijk? In Markus wordt gesteld dat Gods koninkrijk op handen is, in Lucas wordt gesteld dat het binnen in ons is (Luc 17,21). In het Onzevader bidden we dat zijn koninkrijk zowel gevestigd mag worden in de hemel als op aarde. Maar dat is nu al tweeduizend jaar geleden. We moeten er niet flauw om doen, de apostelen leken te geloven in een op handen zijnd koninkrijk. We zouden zelfs Reimarus een beetje kunnen volgen als hij zegt dat het de apostelen waren die een nieuw geloof stichtten omdat dat Koninkrijk wel erg lang op zich leek te laten wachten. Maar misschien is dat Koninkrijk er al, in ons, zonder dat we het eigenlijk beseffen, en in de hemel.

Dat Koninkrijk kunnen we misschien ook weerspiegelen in de kerk. Jezus zei niet aan het feit dat je dit of dat gelooft zullen de mensen je herkennen, maar aan de liefde die je onder elkaar bezit. We verwijten vaak sektes hun lovebombing, maar misschien kunnen we als reguliere kerken hier wel het één en ander van leren. Dat is ook wat de Katholieke mystistici vaak naar voren haalden. Het is een kinderlijk geloof om angst voor straf te hebben. De liefde neemt dat allemaal weg, dan heeft God geen macht meer, maar gezag, dan probeer je Christus niet na te volgen omdat je bang bent voor de gevolgen, maar omdat je Christus liefhebt. En op die manier kun je je geheel geven aan Christus.

Geloven doe je dus niet enkel met je verstand, dat doe je met heel je wezen, alles wat in je zit.