Het maken in het leven

Inleiding

Als antwoord op een artikel in de morgen zei Magali De Reu in een radio 1 programma, de volgende zin: “Ik ben niet succesvol ondanks, maar dankzij mijn autisme.” Het zorgde voor een schitterende kop op verschillende websites. En dat is het natuurlijk ook, een schitterende kop, maar de werkelijkheid is volgens mij een stuk genuanceerder. Waarom ik dat denk wil ik hier graag uitleggen.

Wat is succes?

Succes is geen objectief gegeven hoe graag we dat ook willen geloven. Dat zou willen zeggen dat we mensen zouden kunnen indelen in mensen die succesvol zijn en mensen die niet succesvol zijn. Dan moeten we nog enkel de graadmeter voor succes vinden. De Vandale geeft als uitleg bij succes: “iets dat goed afloopt”, maar dan moeten we ons weer de vraag stellen: waar trekken we de grens? Als we als goede afloop het slagen in het basisonderwijs nemen, zullen er een stuk meer mensen succesvol zijn dan als we als graadmeter nemen “slagen voor een doctoraat”… Of in geld: de goede afloop is geen geldzorgen, of de goede afloop is een miljoen verdienen… Succes kunnen we dus niet meten naar objectieve maatstaven.

Eigenlijk is succes vooral een gevoel dat zich vaak door je verwachtingen en dromen laat bepalen. Hoe lager je dromen hoe gemakkelijker je het gevoel kan krijgen succesvol te zijn. Ik b.v. droomde er als jongere van schrijver, maar vooral acteur te worden. Ik heb zelfs theaterschool gevolgd. Maar ik ging er, zoals met zoveel kapot aan de stress. Op een gegeven moment heb ik via auditie een hoofdrol en een bijrol bemachtigd in series, de ene serie werd uiteindelijk afgevoerd omdat ze geen subsidies kregen, de andere serie werd afgevoerd omdat de VRT (toen nog BRTN) het te duur vond. Je kan je indenken hoe teleurgesteld ik was. En nog steeds meet ik mijn succes hieraan, zodat ik al heel mijn leven het gevoel heb mislukt te zijn. Maar intellectueel weet ik ook dat ik toch het een ander bereikt heb, waar ik trots op mag zijn.

Toch hebben we ook altijd de neiging ons succes te meten aan die van anderen. Meer nog, we gaan vaak kijken naar mensen die in de kijker lopen. We gaan het aantal volgers van onze favoriete influencers op Instagram of Twitter meten met onze eigen volgers, of we kijken naar de schoonheid van een actrice en bekijken onszelf in de spiegel door die bril.

Dat is niet alleen iets dat we bij onszelf doen, maar dat we onze kinderen ook inpompen. Zo had je vroeger een opendeurdag waar de kwaliteiten van de kinderen tentoongespreid werden, nu is dat vervangen door een schoolfeest, waar je vooral de podiumkwaliteiten van je kind kunt meten. Die dansjes en liedjes trekken meestal op niet veel, en toch hoor je de ouders constant zeggen: “O, je was zo geweldig.”

Om een (belangrijk) voorbeeld te noemen. In dezelfde week als Steve Jobs is ook Dennis Ritchie, iets ouder, gestorven. Op Facebook zag ik de krantenkoppen en posts voorbij komen over welk groot verlies Steve Jobs was. Prompt werden er niet één, maar twee films van Steve Jobs gemaakt. Van Dennis Ritchie, is geen film gemaakt, buiten de gespecialiseerde literatuur werd zijn dood niet op de eerste pagina’s vermeld. Toch is Dennis Ritchie uitvinder van de taal C (één van de belangrijkste talen uit de softwaregeschiedenis) en indirect de uitvinder van Unix, wiens ideeën b.v. ingebeiteld zijn op de meeste webservers tot in de ruimte toe. Dennis Ritchie heeft dus een belangrijkere rol gespeeld in de vooruitgang van technologie dan b.v. Steve Jobs, die vooral profiteerde van veel “minder” succesvolle mensen. Als je het dan ook mij, als softwaredeveloper en techneut vraagt vind ik het succes van Dennis Ritchie een stuk belangrijker dan die van Steve Jobs.

Tevredenheid

Ik heb het hier al meer vermeld, maar ik wil het nog eens doen; in mijn laatste jaar professionele Bachelor Toegepaste Informatica was ik uitgenodigd op de Tech Days van Microsoft in Brussel. De keynotes werden afgewisseld met pittige presentaties van influencers die ons allemaal op het hart drukten dat we de nieuwe Zuckerberg of Gates konden worden. Dat leek het doel te zijn van onze opleiding. Maar de meesten van ons zijn in de anonimiteit terecht gekomen en werken in loondienst aan een programma. We hebben vaak een mooie firmawagen, een mooi loon en andere extralegale voordelen, maar we zijn geen Zuckerberg of Gates geworden. Zijn we dan minder succesvol?

Het geheim ligt eigenlijk in geluk en tevredenheid. We worden bij onze geboorte in een zee geworpen en we moeten roeien met de riemen die we hebben. Het leven bestaat dan ook uit tijden van geluk en tijden van ongeluk. Laat dan ook de tijden van ongeluk niet overheersen; kijk niet naar wat zou kunnen, maar naar wat is. Dat wil niet zeggen dat je niet mag dromen, maar wel dat je probeert tevreden te zijn met het nu. Elke goede afloop is een overwinning hoe klein ook: het slagen voor je middelbare diploma, een job vinden, trouwen, kinderen krijgen, je kind zijn eerste stapjes zien zetten, je moeder knuffelen. Of een goed boek lezen, een goede film kijken. Wees tevreden over elke stap die je neemt, en meet je niet aan anderen, als je je zou vergelijken met een bijzonder arm gezin in Afrika, dan ben je bijzonder succesvol in verschillende opzichten ten opzichte van dat gezin, en toch zijn ook daar gelukkige gezinnen.

Misschien gaat het dus veel minder over succesvol zijn, alswel gelukkig zijn. En dat kan pas echt goed wanneer je tevreden bent met jezelf en je omgeving.

Dankzij of ondanks

Ik vind de uitspraak om iets te bereiken dankzij of ondanks je autisme iets te zwart-wit. Autisme is een diagnose die gesteld wordt via gedrag en die in de DSM V wordt besproken als een combinatie van moeilijkheden en vervolgens wordt de ernst ervan gemeten naar de hulpvraag van de persoon met een diagnose ASS.

Dankzij of ondanks je autisme is een beetje zoals zeggen dat een kampioen in rolstoeldansen dankzij zijn verlamdheid kampioen is geworden in rolstoeldansen. Op de letter heeft die persoon natuurlijk gelijk, want waarschijnlijk zou die persoon niet aan rolstoeldansen begonnen zijn als hij niet in een rolstoel zat. Toch is zijn succes niet alleen, en misschien vooral, aan andere dingen danken dan het feit dat hij verlamd is: zijn doorzettingsvermogen, minder sterke kandidaten, talent in de sport…

Zo is het ook met ASS. Het is misschien nog net iets genuanceerder dan bij de persoon met een verlamming, omdat ASS vaak onzichtbaar is. ASS heeft natuurlijk enkele kwaliteiten waar bepaalde bedrijven zoals Passwerk in België of Autitalent in Nederland handig gebruik van maken om hun product aan de man te brengen. Er zijn dus kwaliteiten verbonden aan ASS die sommigen kunnen uitspelen, maar dat verhindert niet dat we het niet langer als een beperking moeten beschouwen, waar vele personen met een ASS hulp bij nodig hebben en die voor veel personen met een ASS ook de kwaliteit van hun leven hebben verminderd. Iemand die blind is b.v. heeft ook bepaalde kwaliteiten (dankzij zijn blindheid): hij heeft een bijzonder sterk gevoel en zijn gehoor is bijzonder verscherpt… Maar dat wil niet zeggen dat hij niet beperkt is en dus bepaalde dingen liever kan laten. Zo zou ik zelf niet direct in een auto gaan zitten met een persoon die blind is aan het stuur, hoe goed hij dan ook hoort. Beperking is ook geen waardeoordeel… Als heel de wereld blind zou zijn, zou een blind persoon geen beperking hebben. Beperkingen worden gemeten naar de meerderheid. De wereld is nu eenmaal afgestemd op een middelmaat. Daarom zijn deuren ongeveer twee meter groot, als je een halve meter bent geraak je amper aan de klink en als je twee meter tien bent moet je opletten niet tegen het kozijn te stoten. Als je in een dorp woont waar de meerderheid een halve meter lang is dan waren de deuren een meter en de klink op borsthoogte van een persoon van een halve meter, daar zou ik als persoon met mijn 1m73 bijzonder fel in de problemen komen.

Ik zeg dat het in ASS genuanceerder is omdat er geen twee personen met ASS dezelfde talenten en dezelfde interesses hebben. Paul Danneels stelde b.v.: “Passwerkers (nvr dit zijn mensen die bij Passwerk werken) zijn beslagen in een specialistische aanpak en kunnen zonder problemen repetitieve zaken aan.” Dat wordt vaak overgeheveld naar een kenmerk van ASS: genieten van repetitieve zaken. Als de VDAB hier rigide in meegaat worden alle personen met een ASS aan een lopende band gezet. Wel, persoonlijk verveel ik me bij repetitieve zaken dood. Ik ben een bijzonder creatief persoon en ik heb graag dat ik veel kan afwisselen tussen taken, heb ik dan minder ASS dan een persoon bij Passwerk (waar ik trouwens ook zelf heb gewerkt)? Dat het niet voor iedereen is, weet trouwens Passwerk ook; het is niet voor niets dat er zo’n strenge ingangseisen zijn en dat de kwaliteiten van de persoon met ASS getest worden.

Daarom is een kop als deze van Fons Leroy volgens mij een stuk meer waarheid, maar waarschijnlijk een stuk minder spectaculair: “Iedereen heeft talent!”

Boekrecensie: Leaving the witness – Amber Scorah ****

Amber Scorah, inmiddels een student aan Harvard Divinity School (in iets van Religie en Samenleving), heeft met Leaving the witness – Exiting a Religion and Finding a Life, een interessant, maar eigenlijk vrij triest boek geschreven over het verlaten van de Jehovah’s Getuigen. Haar geloofstwijfel kwam er op een niet bijzonder gemakkelijk moment, namelijk midden de tijd dat ze missionaris was in China (voor de Jehovah’s Getuigen natuurlijk). Maar ze beschrijft wel mooi hoe eigenlijk juist de omgeving van China die geloofstwijfel mogelijk maakte. In China, juist door de verbodsbepalingen, golden niet dezelfde regels voor Jehovah’s Getuigen als dat hier in het westen wel het geval was. Zo wordt er langs hier afgeraden om wereldse (dat zijn mensen die niet tot de religie behoren) vrienden te maken, wordt er twee dagen in de week naar een koninkrijkszaal gegaan en wordt er verder georganiseerd gepredikt. Al dit vond/vindt in China niet plaats. Daar wordt aangeraden om zoveel wereldse vrienden als mogelijk te maken, die uiteindelijk tot je potentieel predikingsgebied behoren en wordt er enkel op zondag in het geheim aanbeden. Ook het prediken gebeurt er heel informeel. De Bijbel wordt er pas ter sprake gebracht wanneer zeker is dat dit kan en je niet te maken hebt met spionnen van de regering. Hierdoor hebben Jehovah’s Getuigen in China een iets grotere vrijheid en ruimte om eigen denkbeelden te ontwikkelen dan dat Jehovah’s Getuigen hier in het Westen hebben.

Uiteindelijk krijgt ze het voor elkaar een boeiende job als podcast-medewerker en uiteindelijk ook als presentator in de wacht te slepen. Op die manier ontmoet ze een Amerikaan, ver van China verwijderd, namelijk in Los Angeles waar ze bijna dagelijks begint mee te communiceren. Uiteindelijk komt ook het onderwerp van geloof ter sprake en krijgt hij het voor elkaar om twijfel in haar hart te zaaien. Persoonlijk vind ik zijn argumenten nogal ondermaats en verbaast het me dat een “overtuigd” Jehovah’s Getuige zich door zulke argumenten om te tuin zou laten leiden. Ik heb dan ook het gevoel dat ze nooit een bijzonder “overtuigde” Jehovah’s Getuige is geweest. Ze werd in haar kindertijd door haar grootmoeder (haar ouders waren inactieve getuigen) meegesleept naar de vergaderingen waar ze vooral een angst voor armageddon kreeg en het gevoel erbij te horen wel erg kon smaken. Uiteindelijk werd ze voor een eerste maal uitgesloten wegens hoererij, maar voelde ze zich in de wereld niet zo goed. Uiteindelijk keert ze terug door deze de liefde met die man op te geven. Eigenlijk bijzonder treurig omdat ze zelfs op haar huwelijk eigenlijk veel meer voelt voor die persoon die ze opgegeven heeft dan voor haar eigen man.

Het boek heeft een mooi relaas over haar tijd als Jehovah’s Getuige, maar ook de tijd er kort na in China, een communistisch land waar het niet vanzelfsprekend is om gelovig te zijn. Verder maakt ze ook heel duidelijk dat ze spijt heeft nooit gestudeerd te hebben (dit wordt binnen de contreien van Jehovah’s Getuigen afgeraden), wat ze tegenwoordig bijzonder goed probeert te maken.

Het boek is heel goed geschreven, maar soms dreigt ze te fel uit te weiden, ook over Chinese gewoontes, waardoor er hier en daar wel een saai stukje in te vinden is (maar misschien is dit eerder smaak). Maar bovenal is het een diep treurig verhaal van een meisje dat precies nooit haar plaats in de wereld weet te vinden. Ik hoop dat ze dat nu, als volwassen afvallige Jehovah’s Getuigen met een kindje wel heeft weten te vinden.

Leaving the Witness: Exiting a Religion and Finding a Life
Publicatiedatum: 2019
Uitgeverij: Viking
Hardcover 288 pp.

Overdenkingen omtrent een vak als LEF van Patrick Loobuyck

Inleiding

Al zowat een decennium pleit Patrick Loobuyck voor een herziening van het levensbeschouwelijk onderwijs, vooral door het promoten van zijn nieuwe vak LEF: levensbeschouwing, ethiek en filosofie. Pas dit jaar lijkt met het regeerakkoord van 2019 eindelijk een opening te zijn om dit verder uit te breiden. In het regeerakkoord werd namelijk opgetekend dat scholen in de derde graad van het middelbaar onderwijs kunnen kiezen voor ofwel twee uur levensbeschouwelijk onderwijs, zoals het nu is, of één uur levensbeschouwelijk onderwijs en één uur interlevensbeschouwelijke dialoog.1 Vele leerkrachten levensbeschouwelijk onderwijs zijn (terecht) bezorgd over hun aanstelling, maar ook hoe ze in één uur de educatie moeten geven die wenselijk is. Zo stelt een persbericht van de vrijzinnigen: “Om kwaliteit levensbeschouwelijk onderwijs te garanderen met respect voor mensenrechten, kinderrechtenen democratische principes, plus het verderzetten van de interlevensbeschouwelijke dialoog, zijn twee lestijden een must”. (de mens: 2019) Verder is de burgerschapseducatie, net zoals LEF trouwens, bijzonder vaag over wie het nu zou geven en wat het nu zou inhouden. Het één uur interlevensbeschouwelijke dialoog is een stap in de richting van LEF, maar uiteindelijk is het nog zeker geen LEF, laten we daar eerlijk over zijn. Eerder lijkt het een tegemoetkoming van een aantal voorstellen, beginnend met die van Flahaut (PS), toenmalige federaal minister van Ambetenarenzaken, die al dateert van 1998. (Loobuyck, Franken, 2009, p. 48)

LEF wil alle levensbeschouwelijk onderwijs vervangen. Dat dit niet zomaar mogelijk is, beseft ook Patrick Loobuyck, want recht op levensbeschouwelijk onderwijs is verankerd in de grondwet. Dat is natuurlijk historisch zo gegroeid, juist vooral door de tegenstellingen tussen ongelovigen en gelovigen (liberalen en katholieken), die in twee schoolstrijden werden beslecht en uiteindelijk resulteerde in het schoolpact in de jaren ‘50, waar overeen werd gekomen dat zowel officiële als vrije scholen werden erkend, ouders hierin keuzevrijheid genoten, er waarborging zou zijn dat vrij onderwijs gesubsidieerd zou blijven, en dat leerlingen in zowel het lager als het middelbaar onderwijs een keuze uit godsdienstonderricht in de Katholieke, protestantse of Israëlische godsdienst konden maken of konden kiezen voor niet-confessionele zedenleer. In 1974 werd Islamitische godsdienst aan deze lijst toegevoegd, en vanaf 1985 de Orthodoxe godsdienst.

Loobuyck hekelt dan ook dit aspect van de grondwet, hij stelt dat “de tekst (in de grondwet) misplaatst is. Een grondwet dient om een kader van grondrechten en staatskundige uitgangspunten te definiëren, niet om vakken in het onderwijs vast te leggen.” (Loobuyck, 2018, p. 2) Hij heeft hier een punt, maar godsdienstvrijheid is ook een mensenrecht. En volgens sommigen is het juist hieraan dat Loobuyck probeert te tornen.

Over de grondwet stelt dan ook Loobuyck: “Hoewel er grondwetsspecialisten zijn die argumenteren dat het facultatief maken van de levensbeschouwelijke vakken mogelijk is binnen het huidige grondwettelijke kader (naar de letter staat er immers enkel dat de officiële scholen de vakken moeten aanbieden), druist de gedachte van facultatieve levensbeschouwelijke vakken duidelijk in tegen de bedoeling van de grondwetgever.” (Loobuyck, 2014, p. 97) Daarom zou hij ook graag die artikelen uit de grondwet willen vervangen door: “Alle scholen erkend door de betreffende gemeenschap bieden, tot het einde van de leerplicht, onderricht aan in de mensenrechten, in de uitgangspunten van de Belgische liberale rechtsstaat en van het samenleven in diversiteit op basis van grondrechten, vrijheid, gelijkheid, wederkerigheid en solidariteit.” (Loobuyck, 2018, p. 2) Het lijkt mij echter niet nodig om nog eens deze punten in de grondwet te benadrukken wat het onderwijs betreft, want deze staan elders in de grondwet al aangegeven, en deze aanpassing lijkt mij aan dezelfde kritiek onderhevig als dat Loobuyck al geeft op de oorspronkelijke tekst. Waarom wel grondwettelijk verankeren dat het onderwijs de mensenrechten zou aanleren, en niet dat elke jongere recht heeft op degelijk, levensbeschouwelijke vorming?

Verder stelt Lien Kleykens b.v. in haar masterthesis dat het onrealistisch is om levensbeschouwing op school af te schaffen. “Levensbeschouwingen zijn altijd, in zekere mate aanwezig in het onderwijs. Er zullen namelijk altijd leerlingen zijn die een levensbeschouwing aanhouden.” (Kleykens, 2018, p. 1)

Neutraliteit

Loobuyck hekelt het gebrek aan neutraliteit binnen het levensbeschouwelijk onderwijs. Verder hekelt hij ook het feit dat dit onderwijs niet door de overheid wordt voorzien, maar door de expliciete instanties van de levensbeschouwingen zelf. Ook vindt hij het absoluut niet kunnen dat de overheid voor deze vakken geen eindtermen heeft opgesteld. Zelf stelt hij expliciet over de neutraliteit van zijn nieuwe vak: “LEF is een seculier, geen atheïstisch vak. Het moet jongeren in staat stellen om vrij te denken, maar moeit zich in principe niet met wat jongeren denken.” (Loobuyck, 2014, p. 71) Maar is dat in zekere zin net niet wat de vakken levensbeschouwing precies doen? Een handboek vakdidactiek Godsdienst/levensbeschouwing uit Nederland stelt b.v. in zijn algemene inleiding: “Zo wil het vak leerlingen helpen hun weg te vinden in de wereld van godsdienst, religie en levensbeschouwing, alsook in het leven en al de vragen die ze daarin zullen ontmoeten. Het wil mensen leren een keuze te maken gebaseerd op wat voor hen ‘het goede’ is in het leven.” (Monique van Dijk-Groeneboer, Jan Marten Praamsma, 2020, p. 14)

Ook over de neutraliteit kunnen we ons veel vragen stellen. Is het enerzijds wel mogelijk om neutraal onderwijs te kunnen verschaffen? De meeste leerkrachten levensbeschouwing, halen dan ook het gebrek hieraan aan als een krachtige stelling tegen LEF. Lacroix, een leerkracht Katholieke godsdienst stelt op de website Thomas, dat we allen een bepaald wereldbeeld hebben en een aantal vooroordelen die we op dat wereldbeeld toepassen, en op die manier geven we les. Ook An Verlinden, een leerkracht niet-confessionele zedenleer is het hier met hem eens: “Ik ben geen voorstander van neutraal levensbeschouwelijk onderwijs. Eenvoudigweg omdat levensbeschouwing nooit of te nimmer neutraal kan zijn: een levensbeschouwing bouw je niet op vanuit een “view from nowhere”, maar ontwikkel je doorheen je groeiproces als mens in betrokkenheid op anderen.” (Verlinden, p. 47). In de Standaard van 18 maart 2015 stelden Didier Pollefeyt en Mathijs Lamberigts dan ook onomwonden: “Er bestaan geen neutrale opvattingen, noch neutrale (jonge) mensen.” Ook het eerder aangehaalde handboek over vakdidactiek levensbeschouwing/godsdienst, haalt Palmer aan om duidelijk te maken dat we niet neutraal kunnen onderwijzen: “We geven les in wie wij zijn”. (Jojanne Kemman, 2020, p. 127) Aan de andere kant is een buitenperspectief op het gebied van levensbeschouwing ook bijzonder moeilijk, en denk ik, overschat vaak ook de leerling, die op zoek is naar duidelijkheid. In de geschiedenis b.v. bestaan er over of er een Renaissance heeft plaatsgevonden en hoe en hoe lang, een tiental verschillende theorieën, van dat die zou begonnen zijn in de 12de eeuw, tot zelfs dat die helemaal niet zou hebben bestaan, en dat de lange zestiende eeuw uitsluitend een overgangsperiode zou zijn geweest. Als we dat in het middelbaar onderwijs zouden ventileren, zouden we al snel met de vraag van de leerlingen geconfronteerd worden wat nu juist is, welke visie nu correct is. Daarom wordt er kunstmatig met meer zekerheid gesproken, dan er eigenlijk is. Zo is het ook met levensbeschouwing. Ook het handboek vakdidactiek haalt aan dat een docent Godsdienst/levensbeschouwing door hun leerlingen al snel geconfronteerd worden met de vraag: “Wat gelooft u eigenlijk zelf?” (Jojanne Kemman, 2020, p. 127) Mag een leerkracht dan geen kleur bekennen en gaan we terug naar de 19de eeuw, waar Marx en andere filosofen vonden dat godsdienst vooral in de private sfeer mocht beleden worden? Loobuyck stelt hier niet meer dan dat dit in de (nieuwe) opleiding ter sprake moet komen (Loobuyck, 2014, p. 92)

In feite kunnen verder dezelfde kritieken geuit worden op het vak LEF die destijds geuit zijn op de voorstellen voor een neutraal levensbeschouwelijk vak als alternatief “restvak” door de VLOR in 2003. (Loobuyck, Franken, 2009, p. 50-54)

Verder wil Loobuyck ook komaf maken met de vrijstellingen die men kan verkrijgen op de levensbeschouwelijke vakken juist omdat ze uit een niet neutrale hoek worden gegeven: “Omdat de leerinhoud van LEF tegemoetkomt aan de algemene plicht van het onderwijs om jongeren degelijk te informeren, kritisch-reflectief te vormen en genuanceerd met onderwerpen te leren omgaan, kunnen leerlingen geen vrijstelling krijgen.” (Loobuyck, 2014, p. 11) Buiten het feit dat dit wel een erg beledigende manier is om te schrijven hoe levensbeschouwing onderwezen wordt, net alsof het catechese betreft, werpt Pollefeyt hier tegenop dat de meeste personen die vrijstelling vragen voor de levensbeschouwelijke vakken bestaan uit kinderen uit een Jehovah’s getuigen-gezin, en die zullen ook wel een vak zoals LEF proberen aan te vechten. Zeker daar Jehovah’s getuigen bijzonder kritisch staan tegenover een luik zoals filosofie. Dat begrijpt Loobuyck precies ook als hij na het voorgaande citaat het volgende schrijft: “Strikt genomen kan de overheid LEF als vak nooit opleggen, ze kan alleen eindtermen formuleren.” (Loobuyck, 2014, p. 13)

Geloof als iets uit het verleden

Loobuyck maakt zijn betoog hard door te beweren dat het schoolpact niet langer van deze tijd is. Hij volgt hier vooral de cijfers van het katholieke onderwijs; zo’n 80 % van de leerlingen in Vlaanderen volgt rooms-katholieke godsdienst terwijl 12 % niet confessionele zedenleer volgt. Hij haalt aan dat de meeste van deze leerlingen die rooms-katholieke godsdienst volgen helemaal niet katholiek worden opgevoed thuis. Meer nog, aan het begin van de jaren 2000 noemde slechts 25 % van de leerlingen op katholieke scholen zich gelovig en 86 % gaf aan zelden of nooit naar de kerk te gaan. Slechts iets meer dan 50 % van de leerlingen gaf aan dat het levensbeschouwelijke vak dat ze op school volgden aansloot bij de levensvisie die ze thuis meekregen. Loobuyck stelt dat het één van de doelen van het schoolpact was om de kinderen op school op te voeden in de religie dat ze ook thuis meekregen. Daar dit niet langer het geval is, kunnen we beter dit schoolpact loslaten.

Hij heeft een punt dat het levensbeschouwelijk vak dat jongeren op school krijgen niet langer nauw aansluit bij de levensbeschouwelijke praktijk van de ouders, maar is dat nog wel de taak van het levensbeschouwelijk onderwijs? Het levensbeschouwelijk onderwijs is niet met het schoolpact ergens blijven steken in de jaren ‘50. Er zijn over de jaren heen verschillende keren herzieningen op het leerplan gekomen, juist om vooral dichter bij de jongeren te blijven. Ook het vrij, confessioneel onderwijs, die juist enkel één levensbeschouwelijk vak geeft, probeert door zijn idee van de dialoogschool ruimte en dialoog te creëren met de diversiteit waarvoor ze zich geplaatst ziet. Dat lijkt Loobuyck trouwens ook te beseffen: “Het Schoolpactsysteem wekt ook ergernis op omdat het in te veel gevallen gewoon niet meer aan de oorspronkelijke doelstelling beantwoordt. De idee achter het schoolpact was immers dat het levensbeschouwelijk onderwijs zou aansluiten bij de levensbeschouwelijke opvoeding door de ouders. Dit is vaak niet langer het geval.” (Loobuyck, 2014, p. 43) Interessant is verder dat juist binnen die dialoogschool volgens Pollefeyt elke leerling de ontvangende levensbeschouwing met schroom en respect moet tegemoetkomen, iets wat Loobuyck niet van leerlingen verlangt wat LEF betreft. (Pollefeyt, 2019; Loobuyck, 2014, p. 77) Dat is ook wat Ann Verlinden verwacht van een levensbeschouwelijk vak: “Levensbeschouwelijke vorming in het secundair onderwijs moet zich in eerste instantie richten op het aanleren van een aantal cruciale competenties: onderzoeks-, beoordelings-, en gespreksvaardigheden ontwikkelen die je in staat stellen je bewust te worden van je eigen levensbeschouwing, van de verschillende gelijkenissen met andere levensbeschouwingen en van daaruit naar een common sense te zoeken die het samenleven voor iedereen aanvaardbaar maakt. Daarom moeten dialoog, respect, erkenning en begrip centraal staan in elke vorm van levensbeschouwelijk onderricht.” (Verlinden, p. 58)

Loobuyck heeft naar mijn inziens nogal een vrij simplistisch en naïef beeld van wat er in het levensbeschouwelijk onderwijs aan de orde komt. Zo stelt hij in de Knack van 7-8 november 2015: “Wie even de tijd neemt om de handboeken rooms-katholieke godsdienst te bekijken, ziet al snel dat religie en met name het christendom er zeer gefilterd wordt gepresenteerd. Enkel de positieve kanten worden belicht, maar dat godsdienst ook tot intolerantie en oorlog kan leiden, menselijke vrijheid kan fnuiken, op erg gespannen voet staat met de huidige wetenschappelijke bevindingen, gendergelijkheid miskent, onderdrukkend kan zijn etc… Het wordt allemaal nauwelijks of niet gethematiseerd.” (Loobuyck, Knack, 2015 geciteerd in een pamflet van Katholieke onderwijzers) Daarop antwoordde de Katholieke zuil via een pamflet echter met volgende woorden: “Het eerste het beste handboek rooms-katholieke godsdienst spreekt die bewering al tegen. In het leerboek Caleidoscoop voor het laatste jaar van het ASO wordt bijvoorbeeld een van de drie hoofdstukken gewijd aan de relatie tussen levensbeschouwelijke overtuiging en politiek. Verschillende modellen van die relatie komen aan bod met name ook die modellen die leiden tot onderdrukking van gelovigen, anders- of niet-gelovigen, vrouwen, homoseksuelen etc. Er wordt daarbij onder andere stilgestaan bij verschillende interpretaties van de sharia, een ander hoofdstuk gaat over de relatie tussen geloof en wetenschap.” Loobuyck meent namelijk ook dat godsdienst op erg gespannen voet staat met de huidige wetenschappelijke bevindingen. Hierop reageert een leerkracht (rooms-katholieke) godsdienst dat Loobuyck op die manier uitgaat van de kwestie dat wetenschap en godsdienst dezelfde bekommernissen hebben, of dat hij een bepaalde opvatting over godsdienst (met name een fundamentalistische) laat concurreren met de moderne wetenschap.2 Uit commentaren op deze brief van een voorstander van LEF, merk je in ieder geval een vrij fundamentalistisch atheïstische houding op de Bijbel op.

Zo stelt Frans Hitchinson b.v. omtrent Islam in het katholiek godsdienstonderwijs: “In de omgang met andersgelovigen kunnen christenen allerlei overeenkomsten en verschillen vaststellen tussen hun eigen geloof en dat van de anderen. Dit zet aan tot nadenken en gesprek over de redenen en de achtergrond van die overeenkomsten en verschillen. Langs die vergelijking kunnen christenen het geloven en het gelovig handelen van andersgelovigen leren kennen en waarderen. Zij kunnen ook duidelijker de eigenheid van hun christelijk geloof leren inzien en waarderen.” (Hitchinson geciteerd in Kleykens, 2018, p. 8)

Dat andere levensbeschouwingen aan bod komen en dat er interlevensbeschouwelijk gedacht wordt, zien we ook al door de Interlevensbeschouwelijke competenties die door de verschillende levensbeschouwelijke vakken zijn aangenomen. Misschien zou dit inderdaad kunnen worden uitgebreid, maar het is duidelijk dat de leerkrachten zich bekommerd weten met leerlingen van andere geloofsovertuigingen, en dat ze dus ook in zekere mate “learning about religion” in hun lessen willen integreren. En ook hiervan lijkt Loobuyck toch op de hoogte: “Hoewel ze niet neutraal zijn, besteden de leerplannen van de grootste levensbeschouwelijke vakken niet confessionele zedenleer en rooms-katholieke godsdienst, ook aandacht aan andere levensbeschouwingen.” (Loobuyck, 2014, p. 52) Het enige verschil met het vak LEF (in het levensbeschouwelijk luik) lijkt dan vooral te zitten in het feit dat het niet neutraal is. Maar zoals boven al opgemerkt is neutraliteit onmogelijk.

Tot besluit

Loobuyck heeft enkele goede punten waarom zijn vak LEF een meerwaarde zou kunnen zijn in het onderwijslandschap. Maar helaas maakt hij enkele belangrijke denkfouten die zijn vak juist onmogelijk maken. Hij wil er geen vak van maken van steriele weetjes, maar dat doe je wel als je een leerkracht verbiedt om zichzelf te geven in zijn onderwijs. Dat is ook wat zowel Erik Buys (godsdienstleraar) als een pamflet van de rooms-katholieke zuil duidelijk maken: “Je moet bij datgene waarnaar je kijkt betreffende levensbeschouwelijke zaken ook steeds laten zien met welke bril je kijkt, tenminste als je een totalitaire tendens in je denken wil vermijden. Als je jezelf en anderen wijsmaakt dat je geen bril opzet en dat je een “neutrale positie vertegenwoordigt, dan ben je niet anders dan wie een rechtstreekse toegang tot een ‘goddelijk’ standpunt denkt te bezitten. Zogezegd ‘neutrale’ of ‘goddelijke’ waarheden zijn zonder discussie aan te nemen, en leiden tot vormen van indoctrinatie door wie die waarheden in pacht claimt te hebben.”

Volgens mij moeten we dan ook veel meer toeleggen op de interlevensbeschouwelijke competenties, nog meer andere religies ter sprake brengen in de lessen levensbeschouwelijk onderwijs, maar niet vanuit een neutraal, a-religieus stantpunt, waarvan ik toch wel een beetje vermoed dat heel wat voorstanders van LEF er vooral een atheïstisch vak van willen maken, gezien de commentaren van LEF-voorstanders die ik heb gelezen (zie de site van Thomas en Het Vrije Woord van september 2015), maar juist vanuit het standpunt van het levensbeschouwelijk vak. En dan is, ondanks dat ik het misschien ook zelf liever anders had gezien, vermoedelijk een opsplitsing in levensbeschouwingen handiger dan er een eenheidsworst van te maken. Want uiteindelijk zal geen enkele jongere zich nog in dat vak kunnen vinden, juist in die verscheidenheid ligt de vrijheid.

1Letterlijk staat er in het regeerakkord van 2019: “In de derde graad van het secundair onderwijs kan het gemeenschapsonderwijs overschakelen van 2 u levensbeschouwing naar 1 u levensbeschouwing en 1u interlevensbeschouwelijke dialoog. (p. 13)

2https://www.kuleuven.be/thomas/page/open-brief-aan-patrick-loobuyck/