Hij is niet hier… Hij is opgestaan

Het is Pasen vandaag. Ik wordt altijd een beetje opgewekt rond deze periode (en nog meliger dan anders). Het lijkt wel alsof alles op dat moment leven ademt. Jezus is gestorven en heeft de dood overwonnen. Het is lente. De zon schijnt.De dagen worden weer langer. Ik vind de periode tussen kerst en pasen de moeilijkste periode van het jaar. Het is de meest duistere periode. De lichten worden van de huizen gehaald en wat er overblijft is winter. Korte, donkere dagen overheersen. Met Pasen denk ik dan altijd: we hebben het weer overleefd. Opnieuw een jaar.

Waarom in godsnaam op een zondag?

Al van vrij vroeg in de christelijke geschiedenis is de zondag een vrij belangrijke dag geweest. Vele niet-christenen (en ook sommige christenen) maken de vergissing dat de zondag gekozen werd ter vervanging van de sabbat, maar dat is geenszins het geval. Tot rond de 5de eeuw gingen christen gewoon de zaterdag (sabbat) naar de synagoge en vierden op zondag in hun eigen kringen. De zondag werd voor christenen als heilig beschouwd opdat het de dag van de opstanding was. Voor alles was de zondag de belangrijkste dag van de week voor christenen, nog voor kerstmis er was. Ook pasen, het Joodse pesach, dan, niet wat vandaag met pasen gevierd wordt, werd voor het Concilie van Nicea eigenlijk een beetje vrij gevierd: sommigen vierden het op de specifieke dag, 14 nissan, anderen vierden het op zondag na pesach, en weer anderen vierden het op de eerste zondag na de volle maan van de lente.
Het was uiteindelijk Constantijn die de knoop doorhakte, die als voorzitter gold van het Concilie van Nicea, en vrij anti-semitisch was en de dag zo ver mogelijk van het oorspronkelijke joodse feest wilde scheiden. En op die manier werd het dus de zondag na de eerste volle maan van de lente.

Voor de Katholieke kerk is het heel de week feest… Al is feest niet echt een goed woord, want goede vrijdag is in feite een rouwmoment, dan wordt Jezus gekruisigd, op (stille) zaterdag is er dan als ik me goed herinner uit de lessen liturgie (ik ben namelijk geen katholiek) ook geen eucharistie, juist om de reden dat op dat moment Jezus dood is. Maar zondag is dus feestelijk, want op die dag staat Jezus op. Hij is drie dagen dood geweest, en nu heeft hij de dood overwonnen. De dood waar we allen slaaf van waren. Want de loon die de zonde betaalt is de dood. Het maakt het lijden van deze wereld een klein beetje draaglijker. We hoeven niet langer bang te zijn, want de dood is niet het einde, het lijden dat we ondergaan heeft het doel, en verdwijnt uiteindelijk. Dat bewees Jezus door zijn dood en opstanding.

De Kerk in Corona-tijden

De Corona-crisis, heeft ook de kerk verplicht zich te adapteren, en ik ben bijzonder verheugd te merken dat ze dit met verve doet. Overal stampen christelijke kerken digitale diensten uit de grond. Het zal natuurlijk niet het samenvieren, het samen aanbidden, vervangen, maar het is bijzonder fijn te zien dat de kerken hun leden niet aan hun lot overlaten, en ook in crisis nog steeds aan God denken. Ik kreeg vorige week een kaartje van de voorganger van de kerk waar ik ga (en natuurlijk ook van zijn vrouw), en ook heeft hij even gebeld om te weten hoe het ging. Bijzonder attent vind ik dat. Geen Kerkraad vraagt hem om zo aan zijn kerkgangers te denken. Daarvoor moet je een hart voor mensen hebben. En volgens mij is dat een belangrijke eigenschap van een voorganger: een hart voor mensen. Gaat uiteindelijk daar het christendom ook niet over: Heb je God lief met heel je verstand, en je naaste als jezelf?

Ik kan me voorstellen dat veel mensen nu vertwijfeld zijn, zelfs bang. Het zijn ongeziene en onzekere tijden. Laten we dus vooral de mensen niet vergeten. De mens heeft namelijk bovenal God nodig. God maakt het leven de moeite waard. Dank je voor het offer aan het kruis, Jezus.

Gezegend pasen.

Boekrecensie: Oorspronkelijk door Dr. M.J. Paul ****

Uitgegeven door Labarum Academic
2017 (tweede druk)
525 pagina’s
ISBN: 9789402904956
https://www.debanier.nl/oorspronkelijk
https://www.bol.com/nl/p/oorspronkelijk/9200000080531397/?bltgh=sz35vSSbie5TY-s3YZFJ6g.1_4.16.ProductTitle

Achterflap

Over de oorsprong van het leven bestaan zeer uiteenlopende theorieën, van evolutie tot creationisme. In dit boek wordt zorgvuldig geanalyseerd hoe de Bijbel en de christelijke traditie over onze oorsprong spreken.

De vraag naar de oorsprong van het leven is veelomvattend. Zij raakt de uitleg van de Bijbel, de ouderdom van de aarde, de relatie tussen de mens en zijn milieu en de verhouding tussen geloof en wetenschap. Bovendien heeft onze visie op de oorsprong van het leven gevolgen voor onze opvattingen over het kwaad en het lijden in deze wereld, voor ons zicht op de verlossing en onze toekomstverwachting.

Oorspronkelijk gaat op deze zaken in en richt zich vooral op de uitleg van de Bijbel en de achtergronden daarvan. Die uitleg is nooit neutraal, maar vindt plaats in wisselwerking met culturele en wetenschappelijke opvattingen.

Prof. dr. Mart-Jan Paul (1955) doceert Oude Testament aan de Christelijke Hogeschool Ede en de Evangelische Theologische Faculteit te Leuven. Hij is eindredacteur van de twaalfdelige serie Studiebijbel Oude Testament.

Eigen mening

Na lang op mijn schap gelegen te hebben was het toch tijd om me eens in dit boek te verdiepen. Als theoloog, maar ook als christen, boeit het debat rond creationisme/evolutionisme mij natuurlijk. Vele van de reflecties hieromtrent kun je al op deze blog lezen. Mart-Jan Paul doceert blijkbaar (als ik de achterflap mag geloven) aan de Evangelische theologische Faculteit in Leuven. Onlangs las ik nog een artikel rond spanningen die er zijn tussen deze faculteit en de faculteit Godsgeleerdheid van de KU Leuven, waar natuurlijk het creationisme/evolutionisme debat niet uit kon blijven. Een taboe vooral aan de KU Leuven waar men evolutionisme als belangrijke factor van wetenschappelijkheid hanteert, getuige ook een in 2016 gepubliceerde blog van Prof. dr. Bénédicte Lemmelijn, waar ze in zekere zin wat het taboe rond creationisme wilde wegwerken, en waar ze prompt van creationisme en (dus) onwetenschappelijkheid en het promoten van zo’n ziensbeelden werd beticht. Maar kunnen we er als theologen wel voorbij? Tot in de 19de eeuw was het niet alleen het standaardziensbeeld van de christen in Europa, maar was het tevens het ziensbeeld van de wetenschappelijke elite met de theologie aan kop (aan de KU Leuven werd theologie als de belangrijkste faculteit beschouwd bij de oprichting wat zich b.v. de dag van vandaag nog steeds uit in het feit dat bij de stoet der Togati, de professoren van de faculteit theologie vooraan lopen).

Oorspronkelijk is geen creationistisch wetenschappelijk werk, waar de overgrote meerderheid van plaats wordt gespendeerd aan het ontkrachten van de evolutietheorie en het promoten van het creationistisch ziensbeeld. In dit opzicht vind ik dit boek dan ook een vrij unicum op het gebied van creationisme. De schrijver is uiteraard een creationist, en neutraliteit is dan ook moeilijk, dit boek beoogt dat dan ook niet te bereiken. Maar toch denk ik dat het boek een aanwinst kan zijn welk ziensbeeld je er dan ook op na houdt. Het boek geeft namelijk een encyclopedisch overzicht van het ontstaan van de evolutietheorie en de verschillende wereldbeelden vanaf het ontstaan van de Bijbel tot in onze eeuw. De eerlijkheid gebied mij wel te stellen dat je als evolutionist waarschijnlijk hier en daar wel geërgerd zal worden, enerzijds doordat het geen affiniteit heeft met Darwin als belangrijke bioloog, anderzijds toch altijd het creationisme als uitgangspunt wordt genomen. Vooral voor christenen, denk ik, is van belang hoe b.v. de kerkvaders over creationisme/evolutionisme dachten. We hebben vaak de neiging het evolutionisme te laten beginnen met Darwin, maar ook al ten tijde van b.v. Aristoteles bestonden er evolutionistische theorieën. De meeste daarvan worden in dit boek vernoemd, al worden ze niet allemaal met hetzelfde gewicht besproken.

Mart-Jan Paul heeft ook een prettige schrijfstijl waardoor het boek heel gemakkelijk leest, bijna als een historische roman eigenlijk. Het is ook toegankelijk voor niet wetenschappelijk geschoold publiek, wat het lezen ervan enkel ten goede komt. Mart-Jan Paul maakt ook niet de vergissing om zich fel buiten zijn vakgebied te begeven en aan biologische waarheidsvinding te doen. Dat doet hij niet, en is volgens mij ook niet zijn bedoeling. Als je dus een werk zoekt die de biologische valabiliteit van de scheppingsleer verdedigt, dan zal dat boek je waarschijnlijk niet bekoren. Als je een werk zoekt dat je inzicht geeft in de verschillende aspecten van hoe de evolutietheorie tot stand kwam, en hoe we als christen daar in zekere mate tegenwicht aan kunnen bieden door hoe b.v. de kerkvaders hier tegenaan keken, dan is dit boek voor jou een goede aankoop. Verder krijg je ook een bijzonder mooie schets, een theoloog van het Oude Testament waard, van hoe Genesis 1-11 gelezen kan worden en hoe het zich verhoudt tot de rest van de Bijbel. Het is dus vooral een theologisch boek, en geen biologisch wetenschappelijke verhandeling.

Jehovah’s getuigen en kindermisbruik – het rapport

Inleiding

Zowat een maand of twee geleden werd het rapport “Seksueel misbruik en aangiftebereidheid binnen de gemeenschap van JG” gepubliceerd. Een rapport die onderzoekt wat in de titel staat naar aanvang van een onderzoek gedaan door de Universiteit Utrecht.

Er is veel te doen op het moment rond Jehovah’s getuigen en kindermisbruik. In verschillende landen zijn al onderzoeksrapporten gepubliceerd zoals Australië, het Verenigd Koninkrijk en hier in België. Dit betreft een Nederlands onderzoek. Jehovah’s getuigen hebben veel moeite gedaan om te verhinderen dat dit rapport openbaar zou worden gemaakt. Volgens mij was dat echt niet nodig. Het rapport is enerzijds zeer neutraal en anderzijds bijzonder verzoenend naar Jehovah’s getuigen toe. Ook de aanbevelingen die het rapport doet zijn zelfs binnen Jehovah’s getuigen goed haalbaar. Het rapport is in feite een verademing tussen de zeer emotionele stemmen zowel pro als contra die men te horen krijgt. Verstaanbaar, want kindermisbruik is een bijzonder emotioneel thema, maar anderzijds wordt er steeds een zeer zwart-wit conclusie getrokken.

Het rapport

Eerst en vooral mag benadrukt worden dat Jehovah’s getuigen heel goed hebben meegewerkt aan het rapport, en dat zowel het bestuur als individuele leden. Van de personen die (een deel van) de enquète hebben ingevuld, waren zo’n 48 % nog steeds Jehovah’s getuige. Bij de tien diepteinterviews die werden afgelegd was dat 60 %. Dit getuigt ook voor het rapport die blijkbaar geprobeerd heeft een zo evenwichtig mogelijke analyse te bekomen van Jehovah’s getuigen en ex-Jehovah’s getuigen.
Je merkt dan in feite ook een duidelijke discrepantie tussen de beleving bij Jehovah’s getuigen en bij mensen die niet meer Jehovah’s getuige zijn. Het algehele rapport cijfer was een 3.3, maar dit geeft enerzijds ook een beetje een vertekend beeld omdat het meest gegeven cijfer een 1 was. 57 % heeft dit cijfer gegeven. 75 % van de respondenten gaven de afhandeling door Jehovah’s getuigen van de kindermisbruikzaak die ze rapporteerden een onvoldoende. Toch moet rekening gehouden worden dan 10 % van de respondenten de afhandeling een 8/10 geven, wat dan weer een vrij goed cijfer was. Interessant is dan ook de discrepantie tussen Jehovah’s getuigen en ex-Jehovah’s getuigen: terwijl ex-Jehovah’s getuigen een gemiddelde van 1.5/10 gaven, was dat bij Jehovah’s getuigen een krap voldoende 5.8/10. Dit laatste cijfer is niet zo heel veel lager dan het gemiddelde cijfer dat men aan de politie gaf, nl. 6.6/10. Opnieuw waren de ex-Jehovah’s getuigen hier iets kritischer dan de Jehovah’s getuigen zelf

Al bij al dus, terwijl er zeker verbeteringen moeten komen, lijkt de afhandeling niet “dramatisch” slecht te zijn. Men moet ook rekening houden dat je met een vorm van rancune achterblijft bij misbruik, die heel moeilijk te compenseren valt. Je bent namelijk in je integriteit getroffen, meestal door personen die je vertrouwde of waarbij je je veilig voelde.

Het grootste probleem bij Jehovah’s getuigen ligt natuurlijk bij de discrepantie tussen zonde en misdrijf. Jehovah’s getuigen, terwijl ze het zelf in een hedendaagse beschrijving een misdrijf noemen, behandelen eigenlijk alleen maar zonden. Een comité wordt niet opgestart om een misdrijf onder de loep te nemen en adequaat te straffen, maar om te kijken of de zonde groot genoeg is, en zonder berouw is gebeurd, waardoor uitsluiting mogelijk wordt.
Zelf snap ik ook wel dat je niet met de dader van je misdaad geconfronteerd wilt worden, zoals nog in dezelfde koninkrijkszaal te zitten als die persoon, maar het is heel moeilijk hier een duidelijke oplossing voor te vinden. Daarom dat velen de Jehovah’s getuigen hebben verlaten, en anderen zelfs naar een andere koninkrijkszaal zijn beginnen gaan. Maar eigenlijk verschilt dat niet zoveel van hoe er in de maatschappij met de misdaad om kan worden gesprongen. Als je de persoon in kwestie zijn vrijheid teruggeeft, kan hij zich opnieuw overal vestigen, en is de kans ook groot dat je met hem/haar terug in aanraking komt. Misschien zou een Amerikaans model, waarbij een zedendelinquent zich bij elke verhuis terug moet melden bij de politie een oplossing zijn. Binnen de Jehovah’s getuigen is het euvel dat men met zijn dader wordt geconfronteerd iets groter omdat ze een kleinere gemeenschap vormen. Hiervoor zie ik niet meteen oplossingen, tenzij misschien iemand voor altijd uit te sluiten, maar dat is natuurlijk binnen de gedachtegang van Jehovah’s getuigen niet mogelijk.
Wel ben ik een absolute voorstander om elk misbruik, of zelfs elke misdaad, aan de autoriteiten aan te geven, zodat die hun werk kunnen doen over het strafgehalte van de zaal. Daar mogen Jehovah’s getuigen zich niet boven stellen.

De aanbevelingen

Zoals al gezegd zijn de aanbevelingen bijzonder verzoenend en zeer neutraal. Ze zijn ook over het algemeen heel haalbaar binnen de Jehovah’s getuigen. Ik vond het dan ook vreemd hoe ze te keer gingen tegen dit rapport. Ze zouden het misschien beter kunnen aanvaarden en er hun lessen uit trekken. Is het niet belangrijk dat we de kinderen, ook binnen de Jehovah’s getuigen gemeenschap beschermen, tegen personen die het niet zo nauw nemen met hun bescherming?

De volgende aanbevelingen werden gedaan:

  • Heb meer aandacht voor (vermeende) slachtoffers;
  • Vervlecht intern tuchrecht met extern strafrecht;
  • Richt een intern meldpunt in voor slachtoffers van seksueel misbruik;
  • Breng jaarlijks verslag uit van de activiteiten van het intern meldpunt;
  • Train en onderwijs ouderlingen;
  • Investeeer in openheid en transparantie;
  • Investeer in een cultuurverandering. Misschien is deze het moeilijkst haalbaar binnen Jehovah’s getuigen, omdat men aanraadt vrouwen toe te laten in de hiërarchie. Dat zou een verregaande aanpassing vragen van hun regels die ze waarschijnlijk niet kunnen waarmaken.

Het rapport is hier te downloaden.

Boekrecensie: Reviewing 2013 New World Translation of Jehovah’s Witnesses – Edward D. Andrews **

Eigenlijk zou ik kunnen volstaan met de stellen dat dit boek niet levert wat de titel belooft. Alleen al daardoor verdient het amper sterren. De NWV wordt er amper in naar voren gehaald. Eigenlijk worden vooral andere Bijbels over de hekel gehaald vooral op enkele punten waar de dogma’s van Jehovah’s getuigen wordt gevolgd, vooral dan op het gebied van de onsterfelijkheid van de ziel. Voor Nederlandstalige lezers zal het trouwens ook een beetje een ver-van-hun-bed-show zijn omdat de meeste geuite kritiek op andere vertalingen, dan met name het vertalen van Gehenna, Sjeool en Hades door hel in de modernere Nederlandstalige vertalingen allang niet meer gebeurt.

Verder maakt hij elementaire fouten op het gebied van geschiedenis. Zo gaat hij mee in de uitleg rond Gehenna die de Jehovah’s getuigen eraan geven. Maar als je b.v. het boek 1 Enoch leest dat gedateerd wordt tot zo’n 3 eeuwen voor onze jaartelling dan merk je dat de uitleg van Gehenna allang was vergeestelijkt en dat het dus heel goed kan dat Jezus bij het verwijzen naar Gehenna naar veel meer verwees dan uitsluitend de vuilnisbelt buiten de muren van de stad (hoeft trouwens niet, maar de optie moet wel open gehouden worden). Hij gaat ook zelden in op de vertaalkeuzes van deze bijbelvertalingen waardoor je eigenlijk bijzonder weinig informatie krijgt.

Verder betrap ik hem er verschillende keren op dat hij in bijbelvertalingen Lord zelf veranderd heeft in Jehovah. Iets dat ik een zichzelf respecterende wetenschapper niet snel zal zien doen. Het was trouwens de reden dat ik even dacht dat hij zelf een Jehovah’s getuige was, maar dat blijkt niet, want hij heeft nog enkele andere werkjes geschreven waar hij bepaalde stukken van de leer van Jehovah’s getuigen bekritiseerd.

Over Edward D. Andrews is er trouwens sowieso niet veel te vinden. Gewoon dat wat hij over zichzelf zegt, namelijk dat hij een Master of Divinity en een master of Biblical studies heeft. Verder is hij amper vijftig en zou al 77 boeken geschreven hebben. Ik wou ook even de uitgeverij doorlichten, daar ik die niet kende, en er toch zeer veel waarde zit achter een uitgeverij, zo mag je zeker zijn dat uitgeverijen zoals Mohr-Siebeck of Eerdmans wetenschappelijk correcte informatie zullen publiceren waar er danig aan gewerkt is geweest. Nu blijkt deze Edward D. Andrews zelf de CEO te zijn van Christian Publishing House, de uitgeverij van dit boekje. Ik voelde al enige nattigheid toen ik merkte dat Christian Publishing House vooral blijkbaar boeken uitgaf van Edward D. Andrews. Terwijl dat uiteraard op zich niets wil zeggen, neigt het wel te denken dat het boek eerder een self published item is waar weinig mensen de correctheid van de gegevens hebben getoetst, laat staan dat het door peers werd getoetst.

Het grote probleem met het boek echter is dat het meer weg heeft van een sektarisch traktaat, met heel veel dogmatische informatie in de vorm van korte essays. En dat is natuurlijk niet wat je verwacht van een boek dat beweert de 2013 uitgave van de NWV te bekijken. Dan verwacht je dat de schrijver zich inlaat met vertaalproblemen, maar dat doet hij zo goed als nergens, al zeker niet wat de NWV betreft. Verder is de structuur van het boek bijzonder verwarrend. Het is niet altijd duidelijk wanneer hij de mening van iemand anders of zijn eigen mening verhaald, omdat hij heel inconsistent is met aanhalingstekens en zo goed als geen structuur in het boek heeft aangebracht.

Ik voel me dus met andere woorden wel een beetje bedrogen.

Hoe 25 december kerstmis werd

Op 25 december verenigen christenen zich over heel de wereld om Jezus geboorte te vieren. Vreugdevolle kerstliedjes, speciale liturgieën, felverpakte geschenken, feestelijk voedsel – deze karakteriseren allemaal het feest vandaag, toch wat het noordelijk halfrond betreft. Maar waar komt kerstmis oorspronkelijk vandaan? Hoe werd 25 december de datum van Jezus geboorte?

bruegel-bethlehem

De Bijbel bevat weinig aanwijzingen: vieringen van Jezus geboorte worden niet vermeld in de evangeliën, of de Handelingen; de datum is niet gegeven, zelfs niet het tijdstip van het jaar. De Bijbelse referentie naar de herders die hun schapen aan het hoeden waren tijdens de nacht wanneer ze het nieuws over Jezus geboorte hoorden (Luk 2,8) zou kunnen suggereren dat het ergens in de lente plaatsvond; in de koude maand december, immers, zouden de schapen eerder bijeengedreven kunnen zijn. De meeste geleerden zouden echter waarschuwen om al te veel aandacht te besteden aan zo’n precies, maar incidenteel detail van een verhaal waarvan de nadruk theologisch is eerder dan kalendrikaal.

Ook het buitenbijbels bewijs uit de eerste en de tweede eeuw zijn zeldzaam: er worden geen geboortevieringen vermeld bij de vroegchristelijke schrijvers zoals Irenaeus (c. 130-200) of Tertullianus (c 160-225). Origenes van Alexandrië (c. 165-264) gaat zelfs zo ver door te spotten met de geboortevieringen van de Romeinen, hen wegzettend als “heidense” praktijken – een sterke aanwijzing dat de geboorte van Jezus in die tijd en plaats niet met dezelfde festiviteiten werd verwelkomd.1 Zo ver als we kunnen opmaken werd Kermis in deze tijd in het geheel niet gevierd.

Dit staat in scherp contrast met de zeer vroege tradities rond Jezus laatste dagen. Elk van de vier Evangeliën voorziet in gedetailleerde informatie over de tijd van Jezus dood. Volgens Johannes wordt Jezus net op het moment gekruisigd als de pesachlammeren worden geofferd. Dat zou gebeurd zijn op de 14de van de Hebreeuwse maand Nisan, juist voor de Joodse feestdag begon bij zonsondergang (wat eigenlijk de 15de dag was want de Hebreeuwse kalender rekende een dag vanaf zonsondergang). In Mattheüs, Markus en Lukas wordt de laatste maand na zonsondergang gehouden, aan het begin van de 15de. Jezus werd gekruisigd de volgende morgen – nog steeds de 15de.2

Pasen, een veel vroegere ontwikkeling dan Kerstmis, was simpelweg de geleidelijke christelijke herinterpretatie van Pesach in termen van Jezus passie. Zijn naleving kan zelfs geïmpliceerd worden in het Nieuwe Testament (1 Kor 5,7-8: “omdat ons pesachlam, Christus, is geslacht. 8Laten we daarom het feest niet vieren met de oude desem van kwaad en ontucht, maar met het ongedesemde brood van reinheid en waarheid.”). Tegen het midden van de tweede eeuw GT was het duidelijk een onderscheiden christelijk feest, wanneer de apocriefe tekst gekend als de brief van de Apostelen Jezus zijn discipelen laat instrueren om “zijn dood te herdenken, het Pesach.”

Jezus bediening, wonderen, passie en verrijzenis waren vaak voor christelijke schrijvers uit de vroege tweede eeuw van het grootste belang. Maar na een bepaalde tijd werd meer belang gehecht aan Jezus oorsprong. We kunnen deze verschuiving al zien in het Nieuwe Testament. De vroegste geschriften – Paulus en Markus – vermelden Jezus geboorte niet. De evangeliën van Mattheüs en Lukas voorzien in welbekende maar uiterst verschillende verslagen van de gebeurtenis – al voorzien geen van beiden in een datum. Verdere details van Jezus geboorte en kindertijd worden in de tweede eeuw GT beschreven in apocriefe geschriften zoals het kindheidsevangelie van Thomas en het proto-Evangelie van Jacobus.3 Deze teksten voorzien in alles: van de namen van Jezus grootouders tot de details van zijn onderwijs – maar niet de datum van zijn geboorte.

Uiteindelijk refereert een christelijke onderwijzer in Egypte rond 200 GT naar de datum dat Jezus was geboren. Volgens Clement van Alexandrië werden verschillende dagen voorgesteld door verschillende christelijke groepen. Het kan verrassen maar Clement vermeldt 25 december in zijn geheel niet. Clement schrijft: “Er zijn er die niet enkel het jaar van de geboorte van onze heer, maar ook de dag hebben bepaald; en ze zeggen dat het plaatsvond in het 28ste jaar van Augustus en op de 25ste dag van [de Egyptische maand] Pachon [20 mei volgens onze kalender]… En zijn passie behandelend met grote nauwkeurigheid zeggen sommigen dat het plaats vond in het 16de jaar van Tiberius, op de 25ste van Phamenoth [21 maart]; en anderen op de 25ste van Pharmuthi [21 april] en anderen zeggen dat de redder op de 19de van Pharmuthi [15 april] leed. Verder zeggen anderen dat hij geboren is op de 24ste of 25ste van Pharmuthi [20 of 21 april].”4

Er was duidelijk grote onzekerheid, maar ook grote interesse in het dateren van Jezus geboorte in de late tweede eeuw. Tegen de vierde eeuw, echter, vinden we referenties naar twee data die breed herkend werden – en die nu ook gevierd worden – als Jezus geboortedag: 25 december in het Westelijke Romeinse Rijk en 6 januari in het Oosten (vooral in Egypte en Asia Minor). The moderne Armeense kerk blijft kerstmis vieren op 6 januari; voor de meeste christenen, echter, zou 25 december zegevieren, en zou 6 januari uiteindelijk bekend komen te staan van het Feest van Driekoningen, die de aankomst van de magi in Bethehem herdenkt. De periode ertussen werd het verlofseizoen die later bekend zou staan als de 12 dagen van kerstmis.

De vroegste vermelding van 25 december als Jezus geboortedag komt van een Romeinse almanak uit het midden van de vierde eeuw dat de sterfdata van verschillende christelijke bisschoppen en martelaren oplijst. De eerste vermelde datum is 25 december gemarkeerd als : natus Christus in Betleem Judea: “Christus was geboren in Bethehem van Judea.”5 Rond 400 GT vermeldt Augustinus van Hippo een lokale christelijke splintergroep, de Donatisten, die blijkbaar een kerstfeest hielden op 25 december, maar die weigerden Driekoningen te vieren op 6 januari, ze zagen dit als een nieuwigheid. Daar de Donatisten een groep was die enkel rond de vervolgingen van Diocletianus in 312 GT opkwam en die koppig bleven vasthouden aan de praktijken van dat moment, blijken ze een oudere christelijke Noord Afrikaanse traditie voor te stellen.

In het oosten, werd 6 januari eerst niet alleen met de magi geassocieerd, maar met het kerstverhaal in zijn geheel.

Dus, bijna 300 jaar nadat Jezus was geboren vinden we eindelijk mensen die zijn geboorte vieren midden in de winter. Maar hoe kwamen ze nu aan de data 25 december en 6 januari.

Er zijn twee theorieën vandaag: de een extreem populair, de ander minder vaak gehoord buiten geleerde kringen (maar veel ouder dan de eerste).6

De luidst verkondigde theorie over de oorsprong van de kerstmisdata is dat het geleend was van heidense vieringen. De Romeinen hielden hun midden-winter Saturnalia feest op het einde van december; barbaren uit Noord- en West-Europa hielden feesten op hetzelfde moment. Om het nog erger te maken voorzag de Romeinse keizer Aurelianus in 274 GT in het feest van de geboorte van Sol Invictus (de onoverwinnelijke zon) op 25 december. Kerstmis, zo gaat het argument, is eigenlijk een afkooksel van deze heidense zonnefeesten. Volgens deze theorie kozen de vroege christenen opzettelijk deze data om het verspreiden van kerstmis en het christendom in de Romeinse wereld te bevorderen: als kerstmis op een heidens feest lijkt, zouden meer heidenen openstaan voor het feest en voor de God wiens geboorte ze vierden.

Ondanks zijn hedendaagse populariteit heeft deze theorie over de oorsprong van kerstmis zijn problemen. Ten eerste wordt het in geen enkel antiek christelijk geschrift teruggevonden. Christelijke auteurs uit die tijd merkten echter wel een verbinding op tussen de zonnewende en Jezus geboorte: De kerkvader Ambrosius (c. 339-3997), b.v., beschreef Christus als de ware zon, die de gevallen goden van de oude orde overtrof. Maar geen enkele vroege christelijke schrijver verwijst op enige manier naar een architectuur van de kalender; Ze dachten duidelijk niet dat de datum door de kerk was gekozen. Zij zien het toevallig eerder als een voorzieningsteken, een natuurlijk bewijs dat God Jezus over de valse heidense goden heeft verkozen.

Het is pas in de 12de eeuw dat we de eerste suggestie vinden dat de viering van Jezus geboorte opzettelijk was gekozen ten tijde van heidense feesten. Een opmerking in de marge in een manuscript door de Syrische bijbelcommentator Dionysius bar-Salibi meldt dat in antieke tijden kerstmis verschoven werd van 6 januari naar 25 december zodat het op dezelfde datum zou vallen als het heidense feest van Sol Invictus.7 In de achttiende en negentiende eeuw haakten Bijbelgeleerden zich op dit idee vast, aangespoord door de nieuwe vergelijkende religiestudie.8 Zij beweerden daar de vroege christenen niet wisten wanneer Jezus geboren was, dat ze eenvoudigweg het heidense zonnewendefeest voor hun eigen doelen verwerkten, terwijl ze het uitriepen als de datum van de geboorte van de Messias en het gevierd diende te worden.

Meer recente studies hebben aangetoond dat vele van de moderne baggage aan de feestdag geleend zijn van heidense gebruiken, maar veel later, wanneer het Christendom zich uitbreidde naar Noord- en West-Europa. De kerstboom b.v. is verbonden geweest aan late middeleeuwse Druïdische praktijken. Dit heeft het moderne publiek alleen maar aangemoedigd om dan ook maar aan te nemen dat de datum heidens moest zijn.

Er zijn echter problemen met deze populaire theorie zoals vele geleerden herkennen. Belangrijk is dat de eerste vermelding van een datum voor kerstmis (c. 200) en de vroege vieringen waarvan we weten (c. 250-300) komen uit een periode wanneer christenen niet zwaar leenden van heidense tradities van zulk voor de hand liggend karakter.

Toegegeven, christelijk geloof en praktijk werden niet in afzondering gevormd. Vele vroege elementen van de christelijke aanbidding – waaronder de eucharistische maaltijden, maaltijden ter ere van martelaren en vele vroege christelijke begrafeniskunst – zouden waarschijnlijk zeer begrijpbaar geweest zijn voor heidense toeschouwers. In de eerste eeuwen GT echter was de vervolgde christelijke minderheid bezorgd om zich te distantiëren van de grotere, publieke, heidense religieuze vieringen, zoals offers, spelen en feesten. Dit was nog steeds het geval tijdens de gewelddadige vervolgingen van christenen uitgevoerd door de Romeinse keizer Diocletianus tussen 303 en 312 GT.

Dat zou pas veranderen nadat Constantijn zich tot het christendom had bekeerd. Vanaf het midden van de vierde eeuw GT vinden we inderdaad het opzettelijk overnemen en kerstenen van heidense feesten door christenen. Een belangrijke voorstander van deze praktijk was Paus Gregorius de Grote, die in 601 GT in een brief aan christelijke missionarissen in Groot Brittannië aanraadde dat lokale heidense tempels niet vernietigd zouden worden maar zouden worden omgebouwd tot kerken, en dat heidense feesten gevierd zouden worden als feesten van christelijke martelaren. In deze late periode kunnen inderdaad bepaalde kerstmisgebruiken van heidenen zijn overgenomen. Maar we hebben geen bewijs van christenen die heidense feesten overnamen in de derde eeuw, wanneer de data voor kerstmis werden gevestigd. Het lijkt dus onwaarschijnlijk dat de datum eenvoudigweg werd geselecteerd om overeen te komen met heidense zonnefeesten.

Het feest van 25 december lijkt bestaan te hebben voor 312 – voor Constantijn en zijn bekering tenminste. Zoals we hebben gezien lijken de Donatistische christenen uit Noord Afrika het voor die tijd gekend te hebben. Meer nog, in het midden tot de late vierde eeuw waren kerkleiders in het Oostelijke Rijk vooral bezig niet met het introduceren van een viering van Jezus geboortedag, maar met het toevoegen van de december datum aan hun traditionele viering op 6 januari.9

Er is een andere manier om over de oorsprong van kerstmis op 25 december na te denken: hoe vreemd het ook mag lijken de sleutel om Jezus geboortedatum te bepalen ligt in het dateren van zijn dood met Pesach. Deze zienswijze werd voor het eerst gesuggereerd aan de moderne wereld door een Franse geleerde Lous Duchesne in de vroege 20ste eeuw en werd verder ontwikkeld door de Amerikaan Thomas Tally in meer recente jaren.10 Maar ze waren zeker niet de eerste om een connectie te zien tussen de traditionele datum van Jezus dood en zijn geboorte.

Rond 200 GT meldt Tertullianus van Carthago de berekening dat de 14de Nisan (of de dag van de kruisiging volgens het evangelie van Johannes) in het jaar dat Jezus stierf11 equivalent was met 25 maar in de Romeinse zonnekalender.12 25 maart is natuurlijk 9 maanden voor 25 december; het werd later herkend als het Feest van Maria Boodschap – de herdenking van Jezus verwekking.13 Er werd dus gelooft dat Jezus werd verwekt op dezelfde dag van het jaar als hij was gekruisigd. Exact negen maanden later, op 25 december, werd Jezus geboren.14

Dit idee verscheen in een anoniem christelijk traktaat Over Zonnewenden en Equinoxen getiteld, die lijkt geschreven te zijn in Noord Afrika in de vierde eeuw. Het traktaat stelt: “Daarom werd onze Heer verwekt op de 8ste van de kalender van April in de maand maart [25 maart] die de dag van de passie van de Heer is en zijn verwekking. Want op die dag werd hij verwekt en op dezelfde dag leed hij.”15 Gebaseerd op deze tekst, dateert het traktaat Jezus geboorte in de winterzonnewende.

Ook Augustinus was bekend met deze verbinding. In Over de drie-eenheid (c. 399-419) schrijft hij: “Want er wordt geloofd dat hij [Jezus] verwekt werd op de 25ste maart, op de dag dat hij ook leed; de baarmoeder van de maagd, in welke hij was verwekt, waaruit geen sterveling voortgekomen is, correspondeert met het nieuwe graf waarin hij was begraven, en waarin geen mens ooit gelegen had, noch voor hem, noch na hem. Maar volgens de traditie werd hij geboren op 25 december.”16

Ook in het Oosten werden de data van Jezus verwekking en dood met elkaar verbonden. Maar in plaats dat ze voortgingen van de 14de Nisan in de Hebreeuwe kalender, gebruikten de Oostersen de 14de van de eerste lentemaand (Artemisios) in hun lokale Griekse kalender – voor ons is dat 6 april, en natuurlijk exact negen maanden later 6 januari – de Oosterse datum voor kerstmis. Ook in het Oosten hebben we bewijs dat april werd geassocieerd met Jezus verwekking en kruisiging. Bisschop Epifanius van Salamis schrijft dat op 6 april “het lam werd opgesloten in de volmaakte baarmoeder van de heilige maagd, hij die door een volmaakt offer de zonde van de wereld wegneemt.”17 Zelfs vandaag viert de Armeense kerk de boodschap van Maria in het begin van april (op de 7de, niet de 6de) en kerstmis op 6 januari.18

We hebben dus christenen in twee delen van de wereld die Jezus geboorte berekenen op de basis dat zijn dood en verwekking op hetzelfde moment (25 maart of 6 april) plaatsvonden en tot gelijkaardige, maar verschillende resultaten uitkwamen (25 december en 6 januari).

Voor moderne lezers zal de verbinding tussen Jezus verwekking en dood op deze manier vreemd lijken, maar het weerspiegelt antieke en middeleeuwse begrippen over de hele redding die aan elkaar hangt. Eén van de meest schrijnende uitdrukkingen van dit geloof wordt gevonden in de christelijke kunst. In talrijke schilderijen van de boodschap van de engel aan Maria – het moment van Jezus verwekking – wordt de baby Jezus getoond naar beneden glijdend uit de hemel op of met een klein kruisje (zie de bovenstaande foto voor een afbeelding van Meester Bertram’s Anunciatie afbeelding); een visuele herinnering dat de verwekking de belofte van redding door Jezus dood brengt.

Het begrip dat schepping en verlossing op hetzelfde moment van het jaar moesten voorkomen wordt ook in de antieke joodse traditie, via de Talmoed, opgenomen. De Babylonische Talmoed bewaart een discussie tussen twee rabbi’s uit de vroege tweede eeuw GT die dit gezichtspunt delen, maar het oneens zijn over de datum: Rabbi Eliezer stelt: In Nisan werd de wereld geschapen; in Nisan werden de patriarchen geboren; op Pesach werd Isaak geboren… en in Nisan zullen zij [onze voorouders] verlost worden in de komende tijd.” (De andere rabbi, Jozua, dateert deze zelfde gebeurtenissen tot de volgende maand, Tishri).19 De data voor kerstmis en Driekoningen mogen dus wel voortkomen uit Christelijke theologische refflectie over zulke chronologieën: Jezus zou verwekt zijn op dezelfde datum als hij is gestorven, en negen maanden later werd hij geboren.20

Uiteindelijk worden we achtergelaten met de vraag: Hoe werd 25 december kerstmis? We kunnen niet helemaal zeker zijn. Elementen van het feest dat zich ontwikkelde sinds de vierde eeuw tot moderne tijden kan afgeleid zijn uit heidense tradities. Toch kan de eigenlijke datum meer vanuit het Judaïsme zijn afgeleid – van Jezus dood met Pesach, en van de rabbinische opmerking dat grote dingen steeds weer opnieuw verwacht mogen worden in dezelfde periode van het jaar – dan vanuit het heidendom. Aan de andere kant, in dit begrip van cycli en de wederkomst van Gods verlossing, kunnen we ook raken aan iets dat de heidense Romeinen die Sol Invictus vierden, en vele mensen sinds die tijd, zoude hebben begrepen en voor zichzelf zouden hebben toegeëigend.21


“How December 25 Became Christmas” door Andrew McGowan verscheen origineel in Bible Review, December 2002. Dit artikel werd voor het eerst opnieuw gepubliceerd in Bible History Daily in December 2012.


andrew-mcgowan

Andrew McGowan is Decaan en Directeur van het Berkeley Divinity School te Yale en McFaddin Professor van Anglicaanse studie te Yale Divinity School. Voorheen was hij directeur van Trinity College aan de Universiteit van Melbourne en Joan Munro Professor van Historische theologie aan Trinity’s Theological School binnen de Universiteit van Divinity. Zijn werk over het vroege christelijke denken en geschiedenis behelst: Ascetic Eucharists: Food and Drink in Early Chrstian ritual Meals (Oxford: Clarendon, 1999) en Ancient Christan Worship (Grand Rapids, MI: BakerAcademic, 2014).


Met toestemming overgenomen en vertaald van: https://www.biblicalarchaeology.org/daily/people-cultures-in-the-bible/jesus-historical-jesus/how-december-25-became-christmas/

1 Origenes, Homilie over Leviticus 8.

2 Zie Jonathan Klawans, “Was Jesus’ Last Supper a Seder?” Bible Review, oktober 2001.

3 Zie de volgende Bible Review artikels: David R. Cartlidge, “The Christian Apocrypha: Preserved in Art,” Bible Review, juni 1997; Ronald F. Hock and David R. Cartlidge, “The Favored One,” Bible Review, juni 2001; en Charles W. Hedrick, “The 34 Gospels,” Bible Review, juni 2002.

4 Clement, Stromateis 1.21.145. Bijkomend blijken de christenen in Clements geboorteland Egypte de herdenking van Jezus doop gekend te hebben – soms begrepen als het moment van zijn goddelijke keuze, en dus als een alternatief voor het “incarnatie” verhaal – op dezelfde dag (Stromateis 1.21.146); Zie verder over dit punt Thomas J. Talley, Origins of the Liturgical Year, 2nd ed. (Collegeville, MN: Liturgical Press, 1991), pp. 118–120, die voortborduurt op Roland H. Bainton, “Basilidian Chronology and New Testament Interpretation,” Journal of Biblical Literature 42 (1923), pp. 81–134; en nu vooral Gabriele Winkler, “The Appearance of the Light at the Baptism of Jesus and the Origins of the Feast of the Epiphany,” in Maxwell Johnson, ed., Between Memory and Hope: Readings on the Liturgical Year (Collegeville, MN: Liturgical Press, 2000), pp. 291–347.

5 De Philokalia kalender.

6 Geleerden van liturgische geschiedenis in de Engelssprekende wereld zijn bijzonder sceptisch over de verbinding met de winterzonnewende, zie Susan K. Roll, “The Origins of Christmas: The State of the Question,” in Between Memory and Hope: Readings on the Liturgical Year (Collegeville, MN: Liturgical Press, 2000), pp. 273–290, vooral pp. 289–290.

7 Een glosse op een manuscript van Dionysius Bar Salibi, d. 1171; zie Talley, Origins, pp. 101–102.

8 Prominent onder deze was Paul Ernst Jablonski; over de geschiedenis van wetenschap zie vooral Roll, “The Origins of Christmas,” pp. 277–283.

9 B.v. Gregorius van Nazianze, Oratio 38; Johannes Chrysostomos, In Diem Natalem.

10 Louis Duchesne, Origines du culte Chrétien, 5th ed. (Paris: Thorin et Fontemoing, 1925), pp. 275–279; en Talley, Origins.

11Voor meer over het dateren van de geboorte van Jezus zie Leonora Neville, “Origins: Fixing the Millennium,” Archaeology Odyssey, januari/februari 2000.

12 Tertullianus, Adversus Iudaeos 8.

13 Er zijn andere relevante teksten over dit argument, waaronder Hippolytus en de (pseudo-Cyprianische) De Pascha computus; zie Talley, Origins, pp. 86, 90-91.

14 De antieken waren op basis van de waarneming van de menstruale cycli van vrouwen, zwangerschappen en miskramen bekend met een negen maanden zwangerschapsperiode.

15 De solstitia et aequinoctia conceptionis et nativitatis domini nostri iesu christi et iohannis baptistae.

16 Augustinus, Preek 202.

17 Epifanius wordt geciteerd in Talley, Origins, p. 98.

18 In het Westen (en uiteindelijk overal) werd de viering van Pasen uiteindelijk verschoven van de eigenlijke datum naar de volgende zondag. Het aandringen van de Oostelijke christenen op Pasen op de eigenlijke 14de dag te houden zorgde voor een belangrijk debat binnen de kerk, die door de oostelijken soms Quartodecimanen of “veertienders” wordt genoemd.

19 b. Rosh Hashanah 10b–11a.

20 Talley, Origins, pp. 81–82.

21 Over de twee theorieën als valse alternatieven zie Roll, “Origins of Christmas.”

Logos Congres 8 – 9 November 2019

(Dit is een bewerking van een presentatie die ik onlangs in onze kerk heb gegeven)

Enkele weken geleden ben ik naar het logoscongres geweest in Giessendam-Hardinxveen in Nederland, en had jullie daar graag wat over verteld.

Misschien ben je niet op de hoogte van Logos. Wel het Logos Instituut is een Nederlandse organisatie die vooral de letterlijkheid van de eerste elf hoofdstukken van Genesis wil promoten. Tot hun werk behoren het geven van lezingen en congressen met vaak vooraanstaande sprekers op dit gebied, het verkopen van boeken over deze onderwerpen, dan vooral over creatie, de zondvloed… En sinds een tijdje ook het promoten van creatie bij basisscholen in Nederland. Sinds zo’n twee jaar zijn ze ook bezig met het geven van lezingen in België, niettemin nog steeds vrij sporadisch.

Het Logos-congres in Giessendam werd gehouden in een kerk, die op mij die naar een kleine kerk gaat wel indruk maakt, er is zo plaats voor een driehonderd à vierhonderd kerkgangers, en ik moet eerlijk toegeven dat ik me afvroeg of ze die elke zondag gevuld kregen, maar aan de andere kant, de Ichthus kerk in Kortrijk is ongeveer even groot en die krijgen ze naar blijkt de zondag ook wel gevuld. Dagelijks waren er voor dit congres ongeveer 200 toehoorders.

De titel van het congres was “Geloof is de sleutel tot kennis” en werd gehouden op 8 en 9 november. Over de titel werd op sociale media fel gediscuteerd, omdat geloof en kennis niet zouden samengaan. Een vooroordeel waarmee we als bijbelvaste christenen waarschijnlijk allemaal wel ooit eens mee te maken hebben gehad. Daarom is zo’n congres ook belangrijk en broodnodig, omdat het ons kan wapenen, tegen die vooroordelen die ons als dom, fundamentalistisch of nog erger extreem wegzetten. Het is al lang niet meer voldoende om gewoon in iets te geloven, men moet het ook met argumenten kunnen staven, dat verlangen mensen nu eenmaal, zeker als we mensen over het geloof willen vertellen.Daarom is het ook belangrijk om te weten enerzijds wat de tegenhanger van de schepping onderwijst, namelijk evolutie. Ik herinner me b.v. een professor evolutionaire biologie aan de Universiteit van Gent die werd geïnterviewd naar aanvang van het moslimprobleem binnen dit studiegebied, en hij stelde het heel mooi: “Voor mijn part moeten ze het niet geloven, maar ze moeten het wel kennen.”

Daarom wil ik ook de gelegenheid gebruiken om het boek van Reinhard Junker en Siegfried Scherer aan te bevelen: “Evolutie – het nieuwe studieboek” die bij Logos voor tien euro te verkrijgen is. Een koopje. Ik wil wel de kanttekening maken dat het vrij diep op de materie ingaat, en dus soms een beetje vaag of ingewikkeld is voor mensen zoals ik die geen biologie hebben gestudeerd. Het fijne aan het boek is, terwijl ik niet echt merk dat ze een zwart-wit positie innemen voor het één en tegen het ander, dat ze niet uitsluitend uitgaan van een naturalistische, materialistische visie. De schepping of Intelligent Design om het neutraler te verwoorden wordt met een serieuze, onderzoekende blik bekeken.

Terug naar het congres. Dit uitgangspunt was meteen ook de opener van het congres, namelijk waarom geloof in de historiciteit van Genesis belangrijk is… Een lezing gegeven door Lucien Tuinstra. Hij gaf in zijn lezing eerst een korte introductie tot de evolutie die ik vrij basaal vond trouwens, maar hij ging ook dieper in waarom de historiciteit van Genesis zo belangrijk is. Eerst en vooral wil ik beklemtonen dat je redding niet afhangt van je geloof in de eerste elf hoofdstukken van Genesis, je redding hangt van de genade en het geloof in Christus af. En er zijn vele christenen die wel degelijk evolutie aanhangen, en toch christen zijn. Maar het kan je geloof wel bijzonder negatief beïnvloeden. In Genesis vinden we buiten de oorsprong van de mens, ook de oorsprong van lijden, dood en zonde. Als al die dingen niet zijn voorgevallen zoals beschreven, als lijden, dood en zonde er altijd zijn geweest, waarom dan Jezus komst? In Romeinen lezen we hoe Jezus kwam om onze zonden op zijn schouders te nemen, om de eerste adam teniet te doen, en de laatste adam te worden, een levengevende geest (Rom 5,18; 1 Ko 15,22). Meer nog, het Nieuwe Testament, en ook Christus, hechtten bijzonder veel belang aan de eerste hoofdstukken van Genesis. Zo wordt 60 maal in het Nieuwe Testament uit de eerste elf hoofdstukken van Genesis geciteerd, en zonder twijfel kennen we Jezus raad omtrent het huwelijk waar hij verwees naar de schepping van man en vrouw en Gods woorden in de tuin van Eden. (Marc 10,7-9)

Om het geloof in de eerste hoofdstukken van onze Bijbel te versterken dienen we ook de betrouwbaarheid van de rest van de Bijbel te beschouwen. Daarom wordt er op de meeste congressen en lezingen van Logos ook veel belang gehecht aan de verdere uitbouw van bewijs rond de gebeurtenissen in de rest van de Bijbel en de profetieën die erin beschreven worden. David van Wijck behartigde één van deze toewijzingen en stelde expliciet dat “een juiste toekomstvoorspelling een godsbewijs is” (Deut 18,22), zoals het ook in het Oude Testament wordt beschreven. Wat ik bijzonder interessant vond in zijn lezing rond de messiaanse profetieën in het Oude Testament, was het gebruik van deze profetieën door de Joden. Die worden namelijk bij hun lezingen bijzonder vaak overgeslagen, veel orthodoxe Joden blijken er dus simpelweg niet van op de hoogte te zijn. Dr Peter van der Veen behartigde een ander luik van dit zo belangrijk thema. Namelijk of de archeologie en de Bijbel wel samengaan. In de theologie bestaat er een consensus rond een late datering van de boeken uit het Oude Testament. De meeste zouden pas gevormd zijn vanaf de ballingschap, en vooral bestaan uit mythen en verhalen die kleur wilden geven aan een religie van een etnische minderheid die eigenlijk vrij onbelangrijk was. Door gepaste afbeeldingen en bewijzen uit opgravingen probeert Van Der Veen hier enig tegengeluid bieden.

Gert-Jan van Heugten, een redacteur van het Weet-tijdschrift, moest uit zijn comfortzone treden en een lezing over de platte aarde geven. Meestal geeft hij lezingen omtrent dinosaurussen. Een vrij actueel thema trouwens want velen van de toehoorders hadden al in gesprek getreden met iemand die de platte-aarde theorie aanhing. Onlangs nog was er zo’n aanhanger te zien in het televisieprogramma Gert Late night. Ook in de zaal zat er één toehoorder die voor deze theorie wel te vinden was. Ik moet eerlijk zeggen dat ik Gert-Jan van Heugten aan de harde kant vond in zijn betoog, zo noemde hij het een dwaalleer, een woord waar ik bijzonder weinig affiniteit mee heb, en geloof dat het vaak meer slecht dan goed doet, maar dat kan aan mijn gevoelige aard liggen uiteraard. Hij ging er wel bijzonder diep op in waarom we kunnen geloven op een bol te leven, de vele theorieën die door de platte-aarde lobby worden beschreven kloppen namelijk niet helemaal met de werkelijkheid. Zo zouden we op een platte aarde nooit de zon zien zakken achter de horizon, of zou een zons- of maansverduistering er helemaal anders uitzien. Verder moet je ook automatisch complottheorieën aanhangen, want er zijn bijzonder veel foto’s in omloop die een ronde aarde tonen, die zouden dus allemaal vervalst moeten zijn. Anderzijds maken ze gebruik van teksten in de bijbel die vooral in de poëtische boeken staan, en natuurlijk hoef je niet alles wat je leest letterlijk te nemen, zo wordt gesteld in de bijbel dat er engelen staan aan de vier hoeken van de aarde, dan zou de aarde niet alleen plat zijn maar ook vierkant (Opb 7,1). We kunnen hiermee lachen, maar in de 19de eeuw bestond er wel degelijk iemand die de vierkantheid van de aarde letterlijk nam en er zelfs een kaart van heeft gemaakt. Het was dus een bijzonder interessante lezing, die hij trouwens wat uitgebreider online heeft gezet: .

Een andere lezing die ik bijzonder interessant vond was van een jonge dame Ilana Pruis, de enige dame die een lezing verzorgde trouwens op dit congres, een doctoraatskandidate in de neurologie aan de Universiteit van Amsterdam, die in discussie ging met Dick Swaab, natuurlijk niet letterlijk, maar figuurlijk door zijn boek: “Wij zijn ons brein” kritisch onder de loep te nemen. Dick Swaab gelooft namelijk dat wij het resultaat zijn van de elektrische bedrading in onze hersenen. Interessant is b.v. dat als men een eeneiige tweeling neemt, dus compleet hetzelfde DNA, deze maar hetzelfde gedrag tonen voor 50 %, waar komt dus die andere 50 % vandaan als we uitsluitend het resultaat van ons brein zijn? Verder blijken wij ook onze hersenen te kunnen activeren. Neem nu iemand die verslaafd is, dan kan hij door cognitie zijn gedrag aanpassen, als wij uitsluitend het resultaat zijn van de bedrading in onze hersenen dan zou dat allemaal voorbestemd moeten zijn want er geen eigen wil.

Een ander aspect dat ik even wil vermelden is iets dat prof. dr. Marc De vries een wetenschapsfilosoof aanhaalt in zijn lezing “Wetenschapsfilosofie en de evolutietheorie” die mij als theoloog bijzonder nauw aan het hart lag. Zo stelt hij dat theologen te vaak zich laten overtroeven door natuurwetenschappers, terwijl dat helemaal niet nodig is. De ene wetenschap is niet beter dan de ander. In mijn studie werd er b.v. bijzonder veel moeite gedaan om ons te vergewissen dat Genesis 1 poëzie zou zijn, of althans symbolisch moet opgevat worden, maar dat lijkt niet te stroken met de gebruikte taal. Anderzijds zullen we allen wel al eens gehoord hebben dat de evolutietheorie een “bewezen feit” is. Maar de wetenschappelijke methode eist van een feit dat het empirisch, waarneembaar en herhaalbaar is. Nu kan ik de woorden van Aristoteles aanhalen, die de waarneming tegen evolutie gebruikt, want ook al in zijn tijd waren er theorieën voorhanden die goden wilden uitsluiten, vooral door middel van water: zijn belangrijkste argument bestaat in een verwijzing naar de herhaling die zich in de natuur voordoet: uit een mens wordt een mens geboren, elke spin weeft op dezelfde manier haar web, enz: “Want al de genoemde dingen, ja alles in de natuur gebeurt ofwel altijd op dezelfde manier, ofwel meestal daar waar een effect van toeval nooit constant hetzelfde kan zijn… Als dus de zwaluw van nature en doelgericht een nest maakt, en de spin een web, en de planten bladeren maken ter wille van hun vruchten, en hun wortels niet naar boven maar naar beneden laten groeien, met het oog op voedsel, dan is het duidelijk dat dit soort van oorzakelijkheid is in de dingen die van nature ontstaan en bestaan.” (Physica II)

Meer dan micro-evolutie is er dus simpelweg niet waar te nemen. Wat Darwin zag op de Galapagos eilanden was simpelweg variatie.

Er werd natuurlijk nog veel meer gezegd… Zo waren er tijdens de tweede dag Engelstalige lezingen bij te wonen van een Duitse creationistische organisatie die mee dit congres organiseerde, waar thema’s als DNA en het zachte weefsel in dinosaurus-botten werd besproken.

Dit congres is trouwens een jaarlijks weerkerend fenomeen. Zeker de moeite van het bezoeken waard. Ook voor de prijs moet je het niet laten. Meestal betaal je voor een dag zo’n tien euro en daar is een middagmaal en koffie tijdens de pauzes inbegrepen.

Ondertussen zal er in februari ook een nieuwe congres in Vlaanderen over de zondvloed worden georganiseerd, die zal doorgaan in Maasmechelen.

Kunst met de K van kl***

Het zal u ontegetwijfeld al opgevallen zijn: het bijzonder groot ongenoegen van de besparingen op subsidies voor de kunst die Jambon en zijn regering willen doorvoeren. Op Facebook staat het bol van de profielen waarvan de foto voor 60 % geel is ingekleurd, en artiesten dreigen met stakingen, er zijn trouwens al acties gevoerd. Hier moet trouwens wel de kanttekening te worden gemaakt dat men de 60 % besparingen op projectsubisidies tot norm heeft vergevingen, wat niet helemaal strookt met de werkelijkheid.
Ikzelf vindt het bijzonder moeilijk een gedegen mening over dit aspect te gaan vormen, juist omdat ik enerzijds er te weinig van afweet. Ik weet b.v. niet hoe de subsidies worden toegekend. Toch zijn er enkele bedenkingen die ik wil maken.

Wat is kunst?

Al heel mijn leven vraag ik me af wat kunst nu eigenlijk is, en wie het bepaalt? Plato al maakte onderscheid tussen de wereld van de ideeën waar schoonheid er één van is, maar wij vullen dat subjectief in, er is niet iets als DE schoonheid. Zoals we het in Vlaanderen uitdrukken: “Over smaak valt niet te twisten.” Zo werd ooit schilderijen van Van Gogh gevonden in een kippenhok, die nu voor miljoenen over de toonbank gaan. Was het dan minder kunst in zijn eigen tijd, toen hij zijn schilderijen aan de straatstenen niet kwijt kon dan nu het geval is? Ook vandaag de dag zie ik dat: op bijna elk marktplein zijn wel mooie prentjes te verkrijgen voor een habbekrats, die niemand als kunst zou beschrijven, maar toch vind ik ze esthetisch een stuk mooier dan de meeste moderne kunst.
Als jonge student aan het kunstinstituut gingen wij ooit naar een museum van moderne kunst in Antwerpen, welke weet ik niet meer, maar daar stond een gigantische obelisk in Lego, is dat dan kunst?
Vaak heb ik het gevoel dat kunst vooral een kwestie van uitleggen is. Ik herinner me nog levendig de discussies gevoerd met mijn lerares kunstgeschiedenis over Piet Mondriaan, waar ik eigenlijk weinig kunst in zag (wat je trouwens niet mag zeggen). Dat Piet Mondriaan trouwens wel tegelijk klassiek ook kon schilderen bewijzen verschillende van zijn werken, maar neen, in zijn abstracte kunst zie ik weinig dat ik denk dat kan niet iedereen.

In kunst ligt het woordje kunde verborgen, en dat lijkt me dan ook de meest voor de hand liggende definitie: het is iets dat je kunt, dat je onderscheidt van andere mensen. Maar dan nog is er niet echt een graadmeter. Een chirurg b.v. wordt gemeten aan de diploma’s aan zijn muur. Niemand die er aan denkt om zich door een getalenteerde slager te laten opereren, hij mag nog zo behendig met het mes zijn als het wil. Toch zien we dat opleiding geen graadmeter is voor kunst. Er zijn bijzonder veel personen die geen opleiding hebben genoten en toch als kunstenaar geboekstaafd staan. Anderzijds merk ik dat een diploma wel vaak ook hier deuren voor je opent.

Kunst een beetje elitair?

Ilja leonard pfeijffer stoort zich in een column over schrijven over het feit dat thrillerschrijvers b.v. soms naar dezelfde subsidies dingen als schrijvers die zich meer met “kunst” bezighouden. Thrillers worden nu eenmaal door Ilja leonard pfeijffer niet als kunst beschouwd. Ik moet hem wel gelijk geven als hij stelt dat thrillerschrijvers het vaak niet nodig hebben, omdat ze nu eenmaal tot een populair genre behoren die net iets meer verkoopt dan andere werken. Ook Sylvie Marie maakt in haar protesttekst rond de besparingen op de subsidies op Facebook een onderscheid tussen kunst en commercie, waarbij iets dat goed verkoopt automatisch niet tot de kunst gerekend kan worden. Maar is dat zo? Is het niet beter te spreken van goed – niet goed? Kunnen we werkelijk kunst meten aan het aantal bezoekers die het kan bewegen? Hoe minder bezoekers hoe meer kunst? De thrillerschrijver behelpt zich met dezelfde instrumenten als de romanschrijver en doet er vaak ook evenveel moeite voor.
Ik herinner me nog een vraag van een goede vriend van me in mijn jeugd, die me vroeg of ik een groot of een beroemd schrijver wilde worden. Ik koos toen voor een groot schrijver, maar daar ben ik van teruggekomen. Hoe geweldig is het niet van je hobby je beroep te maken, en dat gaat misschien net iets gemakkelijker als je beroemd bent, dan uitsluitend groot. Volgens mij sluit de één de ander niet uit. Misschien moeten we net iets minder onszelf zo serieus nemen, en anderen juist niet.

Besparing op kwaliteit van leven toch belangrijker dan de esthetiek?

Ik heb niet meegedaan met het protest tegen de besparingen, omdat ik als persoon met een beperking ook de besparingen voel, en niet op het feit dat ik niet aan “kunst” kan doen, want dat kan ik wel, al verdien ik er dan geen duit mee, maar op de kwaliteit van mijn leven. Met de correctiefase op het persoonsvolgend budget zie ik dat vooral de onzichtbare beperkingen het hard te verduren hebben gekregen, en het baart mij zorgen dat ik hier minder protest heb gezien dan op de besparingen in de Kunst. Volgens het VAPH wordt er zorggarantie voorzien, dat wil zeggen dat iemand met minder punten, dezelfde garantie kan verwachten, maar is dat niet een beetje wensdenken, want hoe kun je dezelfde zorg blijven aanbieden voor minder geld? Er zal iets moeten inboeten, is het niet de hoeveelheid zorg, dan toch de kwaliteit van die zorg? De begeleidingsdienst waarvan ik gebruik maak, zal tegen het einde van de overgangsfase 7 voltijdse medewerkers moeten besparen, zeven, dat is veel, en dat baart mij meer zorgen dat de subsidies in de kunst, want dit gaat om de kwaliteit van mijn (en anderen hun) leven. Zonder kunst kan ik leven, al is het net iets minder mooi, maar zonder zorg…

Er dient dus overal op bespaard te moeten worden. Waar niet op bespaard lijkt te moeten worden is de politiek, met zijn overbezetting (vijf regeringen voor een land van 10 miljoen inwoners), met zijn riante uittredingsvergoedingen en riante lonen.

Halvering levensbeschouwelijk onderwijs?

Inleiding

Een tijd geleden werd het idee geopperd door de regeringspartijen om de lestijden levensbeschouwelijke vakken te halveren. In België is dat voor elke richting, ASO, TSO of BSO, twee uur per week. Meteen kwam, en dat kon iedereen je natuurlijk op een blaadje geven, hier reactie op uit de theologische richting. Er werd een petitie opgericht tegen dit voorstel die inmiddels al ettelijke duizenden keer is getekend. Met het gevaar door mijn collega theologen verguisd te worden beken ik dat ik deze petitie (nog) niet heb getekend. En wel oom verschillende reden.

Inhoud van de petitie

In de oproep staat het volgende te lezen:

Wij zijn leerkrachten r.-k. godsdienst die gaan voor hun vak. We doen dat met enthousiasme en competentie. We zijn overtuigd van de meerwaarde van ons vak: zowel voor de ontwikkeling van onze leerlingen als voor de toekomst van onze Vlaamse samenleving. Het leerplan r.-k. godsdienst is ons handvest. We onderhouden de beste relaties met onze collega’s van andere godsdiensten en levensbeschouwingen. Om een diepgaande vorming te kunnen garanderen, hebben wij twee lesuren per week nodig.

Dit vind ik namelijk een bijzonder nietszeggende verklaring. Het doet mij eerder aan als loons- en werkbehoud dan aan iets anders. “We hebben twee lesuren nodig”. Ik denk dat de leerkrachten geschiedenis net hetzelfde zeiden ten in de meeste richtingen hun lestijden werden gehalveerd, en misschien hebben zij nog veel meer reden hiertoe dan leerkrachten godsdienst.

Dat eeuwig gesleutel aan het onderwijs

Er is de laatste jaren bijzonder veel gesleuteld geweest aan het onderwijs, en de cijfers liegen er niet om: over het algemeen gaat het niet om verbetering. Noch voor de leerkracht, noch voor de leerling. Dus misschien moeten we onze handen er eens vanaf houden, of eens daadwerkelijk met alle leerkrachten èn leerlingen gaan praten alvorens veranderingen door te voeren.

Twee uur, andere invulling?

Ik heb in het middelbaar onderwijs geen godsdienst, maar zedenleer gevolgd. En van één school herinner ik me nog levendig die lessen: er werden bijzonder veel films gedraaid, we speelden quizen in de klas, of we discuteerden over een onderwerp. Het examen bestond uit het schrijven van een essay, die niet gequoteerd werd naar inhoud, maar naar lengte, als je b.v. een essay van, ik zeg maar iets, 1500 woorden schreef kreeg je een 8 en per vijfhonderd woorden meer kreeg je een punt meer. Dat vind ik alvast geen diepgaande vorming, als ik eerlijk mag zijn. In een andere school had ik me laten ontvallen dat ik wel geloofde, waarin wist ik toen trouwens nog niet, vanaf dan werd er elke les zedenleer een half uurtje gebruikte om gelovigen te bashen. Inmiddels is in wat r.k. godsdienst betreft al het één en ander veranderd, maar ik neig toch een voorstander te zijn naar het Nederlandse model, waar levensbeschouwing wordt gegeven. Dus een iets bredere vorming dan nu het geval is, maar nog altijd met een christelijke inval, want de toenemende seculariteit van onze beschaving laat ons al vaak genoeg onze roots vergeten. Nu bots ik vooral met de ideeën van b.v. iemand zoals Lieven Boeve, die het hekelt dat het theologisch onderwijs steeds meer ge(ver)vormd wordt naar religiewetenschappelijk onderwijs. Eerder dus een buitenperspectief dan een binnenperspectief. Dat het in zekere mate inderdaad problematisch is bewijst de discussie die enkele jaren geleden gevoerd werd omtrent de K in de KU Leuven, als invulling van Katholiek. Terecht maakt Lieven Boeve hier inderdaad de bedenking dat we moeten opletten niet teveel in de marginaliteit geschoven te worden als theologen.
Waar ik meer problemen mee heb is het idee dat een theoloog (ook) ten dienste staat van de kerk en de gemeenschap van gelovigen, waarmee uiteraard de Katholieke Kerk bedoeld wordt en de Katholieke gemeenschap van gelovigen. Ik vind dat je als theoloog dit moet overstijgen. Je staat inderdaad ten dienste van de geloofsgemeenschap, maar je bent als theoloog in eerste instantie wetenschapper in plaats van een katholiek. Het is bijzonder interessant hoe b.v. de theologen van de nouvelle théologie net voor VAT II zo verguisd werd door de Katholieke Kerk, heel moedig als je bedenkt dat de Katholieke kerk toen nog veel meer te zeggen had dan nu het geval was.

Dus de kerk weren uit het onderwijs, zonder geloof of religie te weren, vind ik, als “onafhankelijke” theoloog niet zo’n slechte zaak. Laten we de jongeren uiteindelijk zelf hun keuze laten maken, dat heb ik gedaan, zonder school, maar ook als theoloog vind ik me door verschillende richtingen die ik heb gevolgd gesterkt in mijn kennis van andere religies en heb ik met meer kennis van zaken ook expliciet voor het christendom kunnen kiezen. Geloof en religie zijn keuzes die iemand maakt, dat beseffen we in onze moderne tijd, veel meer dan vroeger waar het vaak een zaak van geboorte was. Ik geloof niet dat er toen zoveel meer geloof was, maar geloof was nu eenmaal inherent verweven in het dagelijkse leven; als je bekende niet te geloven kon dat je als zelfstandige failliet laten gaan, of als werknemer je job kosten, dus dan zwijg je uit levensbehoud, niet uit overtuiging.

Verder geloof ik wel dat het christendom terug iets hipper mag worden gemaakt. De meeste mensen zien het christendom nog steeds als veel klassieke rituelen en een man in habeit, maar luister eens naar muziek van Kari Jobe of de nu vaak gespeelde Lauren Daigle, deze hoeven helemaal niet onder te doen voor onze favoriete muziek, toch zijn het christenen die wensen de boodschap van het christendom over te brengen. Dat hipper maken zie ik vooral in protestantse kerken, en dan vooral de opwekkingsbeweging die sinds de 19de eeuw bijzonder omvangrijk is geworden. Dit hebben ze voor een groot deel precies te danken aan het luisteren naar jongeren, die uiteindelijk de volwassenen, en veel later nog de ouderen van de kerk. Het is volgens mij dan ook niet helemaal een wonder dat terwijl de meeste christelijke stromingen lijken te stagneren of te krimpen, juist deze lijken te groeien.

Afgestudeerd

Het is bijna een jaar geleden dat ik mijn laatste blog-post heb geplaatst. Dat heeft uiteraard verschillende redenen. Enerzijds was dit mijn masterjaar waarin ik een scriptie te schrijven had, en zoals iedereen weet is werken en studeren niet altijd evident, als je dan nog een scriptie te schrijven hebt, is er weinig ruimte over om nog andere dingen te schrijven. Verder ben ik met mijn redactrice bezig met het herwerken van mijn debuutroman, die, hoe kan het ook anders, over een jongen met autisme gaat en bijzonder autobiografisch is. Ik hoop in ieder geval dat het dit voorjaar gepubliceerd kan worden en dat jullie het mooi zullen vinden, want je mag dan verwaand zeggen dat je voor jezelf schrijft (en in zekere zin is dat ook wel zo) toch wil je ook geliefd zijn bij het publiek. Maar anderzijds wilde ik ook zwijgen doorheen dit masterjaar. Het is namelijk niet zo evident als “protestant” “katholieke” theologie te studeren. Ik zet de twee denominaties tussen aanhalingstekens omdat ik me niet graag in dat keurslijf laat gieten, ik hou niet van de vakjes: ik ben christen, punt, en ik kan het op fundamenteel punt geheel oneens zijn met jou, maar dat betekent niet dat ik meer of minder christen zou zijn dan jij. Laten we dus lekker een potje discuteren, maar daarna broederlijk samen een pint pakken. Er is al genoeg ruzie op de wereld, laten wij dus in ieder geval van elkaar houden als broeders. Dat is ook de belangrijkste reden waarom ik het als JG niet uithield, ik hou nu eenmaal teveel van anderen. En andere kant is dat ook de aantrekkingskracht. Hun tijdschriften hebben een bijzondere aantrekkingskracht op me, omdat ze me overstelpen met ervaringen van mensen die precies hetzelfde zijn als ik. Het laat je ergens bijhoren.

Dat heb ik op een gegeven moment ook in woorden uitgedrukt tijdens een mondeling examen, notabene met mijn lievelingsprof, die dan nog eens priester is, maar we konden het echt bijzonder goed met elkaar vinden. Hij was ook mijn promotor voor mijn bachelorscriptie en daar heb ik hem leren kennen als een nederige, maar bijzonder wijs persoon, en dat zowel wat levenswijsheid als kennis betreft. Ik zal hem missen.

Het is ook de reden waarom ik denk niet zo goed geschikt te zijn om te werken in het theologisch veld. Enerzijds zijn de mogelijkheden natuurlijk beperkt: het onderwijs of het pastoraal veld, maar dan moet ik me schikken naar de paus, en dat kan ik in ieder geval niet, wil ik ook niet, ik wil mijn eigen ding kunnen vertellen. Een angst trouwens die ik ook had bij het presenteren van mijn masterscriptie: zullen ze het wel eens zijn met me… Je punten hangen er uiteindelijk ook wel een beetje van af, en dat is wel één van de moeilijkheden tussen theologie en informatica, in informatica als je programma goed werkt weet je dat je tenminste wel iets goed gedaan hebt (al hangt het natuurlijk van meer af dan uitsluitend een werkend programma), maar in theologie is er, een beetje net zoals in het seculier postmodernisme, niet echt zoiets als goed en fout, het is veeleer een kwestie van uitleggen, en natuurlijk je uitleg staven met argumenten… Zo zei mijn begeleidster die als mijn proefkonijn van mijn masterproef diende ook dat haar oren tuitten van de verschillende ziensbeelden.

Dat is trouwens iets wat ik miste in de master, bijbelwetenschap, het komt wel aan bod, en ook mijn keuze heb ik hieromtrent wat ingevuld, maar te weinig. Je wordt iets teveel klaargestoomd als leraar godsdienst, en iets te weinig als theoloog (dat is uiteraard mijn persoonlijke mening). Dat heb ik wel ruimschoots goed gemaakt vind ik met mijn masterthesis die expliciet een bijbelwetenschappelijk thema behandelde: De onderwereld in het antieke jodendom, dus in de Bijbel en in de literatuur van de Tweede Tempelperiode. Zo heb ik trouwens ook het excuus gehad me even te verdiepen in enerzijds de deuterocanonnieke boeken, en vervolgens in Joodse literatuur zoals 1 Enoch, het boek Jubileeën… Bijzonder interessant moet ik zeggen; we behandelen ze vaak ietwat stiefmoederlijk, want zij worden niet als geïnspireerd gezien of heilig, maar aan de andere kant maken ze zoveel duidelijk van wat raadselachtig kan lijken in de Bijbel.

Om maar één voorbeeld aan te halen: in Genesis wordt Eva verleidt door de slang om van de vrucht van de boom der kennis van goed en kwaad te eten. Als christenen zien we hier vaak de Satan in die de slang als buikspreker gebruikte. Uiteraard is dat een christelijke interpolatie die door Joden niet gekend is. In het boek Jubileeën lees je dan ook over het geloof dat dieren in Genesis konden praten, een idee trouwens die ook bij verschillende evangelische stromingen niet vreemd is. Ik wil er in ieder geval nog wat verder aan werken (aan mijn masterproef bedoel ik). Ik kreeg het kritiek dat het nogal een breed onderwerp is, en daar ben ik het volmondig mee eens, het is dus nog lang niet af

Tot slot

Ik heb wel de bedoeling om mijn blog nieuw leven in te blazen. Dat is misschien mijn beste manier om iets met mijn theologische opleiding te doen. Verder ben ik nog lang niet klaar. Zo denk ik eraan ook de protestantse master af te werken, ik kan er alleen maar meer door te weten komen toch? IK hoop dat ik dan ook in de lange leste wat meer lezers naar mijn blog zal kunnen trekken. Maar alles op zijn tijd.

Java wordt commercieel

Inleiding

Ik hoor toch wat bezorgde stemmen omtrent de nieuwe release van Oracle Java 11. Java is immers sinds 2006/2007 vrij geweest dankzij velen hun inzet en niet op zijn minst die van James Gosling zelf. Nu lijkt het er dus inderdaad op dat Oracle in zekere zin deze ontwikkelingen terugdraait. Toch lijkt Oracle te zorgen voor een two-license model: OpenJDK, in feite het kleinere en lelijkere broertje van de JDK wordt verder uitgewerkt onder een GPL-licensie, en wordt zo goed als gelijkgesteld aan de commerciële JDK. Natuurlijk de zorg is dat een GPL-licensie een licensie-virus is, en dus verhindert dat code die met code onder deze licensie werkt, gesloten wordt. Is er dus nog toekomst voor commerciële applicaties onder java, zonder een commerciële licensie aan te schaffen?

OpenJDK

OpenJdkLogoEerst en vooral moet gesteld worden dat de veranderingen en het commercialiseren van de JDK al op til zijn sinds Java 9. Vanaf januari 2019 ondergaat Oracle JDK 8 immers een “End of Public updates” proces wat betekent dat er niet langer gratis updates zullen geboden worden voor commercieel gebruik. Echter sinds Java SE 9 voorziet Java in Oracle’s OpenJDK builds die vrij zijn voor commercieel gebruik.

OpenJDK heeft binnen Java altijd een beetje een nare bijsmaak gehad omdat Oracle’s JDK meer features, performanter en volgens velen stabieler was dan de OpenJDK. Echter heeft Oracle nu hard gewerkt om van OpenJDK een gelijkwaardige speler te maken als de Oracle JDK, zodat men bijna kan stellen dat het belangrijkste verschil de licensie is. Doordat Oracle zijn JDK nu commercieel maakt, wat betekent dat je het niet langer kan gebruiken in productie zonder Oracle vanaf dag één van zijn release te betalen (ontwikkeling en testen kunnen wel gratis) worden ontwikkelaars in de richting van OpenJDK geduwd, die de nieuwe standaard wordt onder een vrije licensie (GPL + CE)

De ontwikkelingscycli

Zowel voor Oracle’s JDK als OpenJDK zal er een ontwikkelingscyclus zijn van een nieuwe release elke zes maanden. We zien dat sinds Java 8 er al danig gewerkt is om op regelmatige tijdstippen in nieuwe releases te voorzien:

Versie Release date End of $free updates from oracle
Java 8 Maart 2014 Januari 2019 (voor commercieel gebruik)
Java 9 September 2017 Maart 2018
Java 10 Maart 2018 September 2018
Java 11 September 2018 Maart 2019 (misschien)
Java 12 Maart 2019 September 2019

Wat Oracle dus blijkbaar wil doen is zorgen voor langetermijnondersteuning die door klanten wordt betaald. De korte ontwikkelingscycli heeft vooral te maken met het opwaarderen van code geleverd door externe ontwikkelaars. Hier zie ik toch het probleem dat terwijl ik graag software zie vernieuwen (zoals Ubuntu vernieuwt zijn software ook ongeveer elke zes maanden) is dit voor ontwikkelingssoftware niet altijd handig. Je verwacht immers een stabiele basis om je code op te doen werken. Hiervoor kan de langetermijnondersteuning zeker van pas komen.

Keuzes

Dus vanaf Java 11 dien je de actieve keuze te maken. Oracle’s JDK 11 is niet langer vrij te gebruiken, al wordt het wel gratis ter download aangeboden, maar als je het in een commerciële applicatie wilt gebruiken dien je Oracle hiervoor te betalen. Of je gaat over naar OpenJDK die niet langer het lelijke, kleinere broertje is van Oracle’s JDK maar nu een volwaardig product, die buiten de licensie niet zo heel veel verschilt van Oracle’s JDK.

Je kan natuurlijk ook altijd bij Java 8 blijven, maar dus vanaf januari 2019 worden er  geen updates meer geleverd, wat vooral beveiligingsgewijs voor problemen zou kunnen zorgen.