Aan de moeders van kinderen met autisme die het beu zijn

Toelichting

Naar aanvang van het nieuwsbericht dat een moeder haar dochter een middel heeft toegediend net zo giftig als bleekmiddel, omdat ze had gelezen dat dat haar kind van autisme kon genezen, heb ik dit stukje geschreven. Misschien is het choquerend te horen, maar als persoon met autisme begrijp ik die moeder ook… Ik schrijf uiteraard niet in naam van alle autisten, ik schrijf in naam van één autist, namelijk mezelf.

Lieve mama,

Ik weet dat je van me houdt, meer dan van het leven zelf, dat heb je zo vaak verteld toen ik nog een baby was en enkel jouw gezicht zag als een vast en zekerheid. Dat je niets liever wil dan dat ik opgroei tot een gelukkige stabiele volwassene, dat is toch wat elke ouder voor zijn of haar kind wil? Je had zo’n grote verwachtingen, nog voor ik geboren was. Verwachtingen die je nu bijna elke dag, op aanraden van dokters moet bijstellen. Elke dag zie je me weer thuiskomen na een drukke dag op school, en zou je liever hebben dat ik ergens anders bleef, ik weet niet of dat beter zou zijn, maar jij kan mij wel wegdoen, je kan zelfs weglopen van me… Maar ik kan niet weglopen van mezelf.

Elke dag beloof ik mezelf dat ik een beter kind voor jou zal zijn, je zal sparen van het verdriet en de paniek die in mijn onderbuik elke dag borrelt tot het overkookt. Elke dag wil ik een beter mens zijn, een betere leerling voor de juf. Elke dag sta ik op met het vaste voornemen te doen wat iedereen van mij verlangt, en wat bij anderen zo natuurlijk lijkt te komen: een hand te geven aan de nieuwe mensen die op mijn pad komen, zelfverzekerd in de ogen te kijken als ik iemand moet spreken, en vooral niet achter je been wegschuilen omdat ik bang ben voor de nieuwe gezichten die mij tegemoet komen, en al zeker niet schreeuwen als vermoord als iemand me aanraakt. En toch doe ik het elke dag weer. En dan is er opnieuw die morgen, soms uitgeslapen, want hoe vaak lig ik niet te piekeren over dingen waar ik eigenlijk niet over zou moeten piekeren, alleen in mijn kamer, waar niemand me kan overprikkelen of me angst aan kan jagen, en dan maak ik weer die loze beloftes, maar dan komen ze, de dingen die ik niet ken, niet begrijp, niet verwacht, en dan voel ik het borrelen en borrelen tot het overkookt, want overkoken zal het doen, dat weet ik vanaf het moment dat ik het voel borrelen. Ik ben net zo machteloos als jij, mama, ondanks de beloftes.

Ik stel teleur, dat weet ik, en dat hoor ik vaak genoeg, en dat terwijl ik ‘s morgens alleen op mijn kamer mezelf zo heb beloofd om niet teleur te stellen.

Vandaag heeft iemand me gezegd dat je kan genezen door het drinken van bleekmiddel… Als je me zou vragen om het te drinken, zodat ik zou genezen, dan zou ik het doen, misschien nog meer voor jou dan voor mezelf, want ik wil niets liever dan je een gelukkig, stabiel kind geven.

Hiervoor heb je niet getekend, dat weet ik. Het vraagt teveel, en de wereld begrijpt het niet, omdat ik het borrelen kan verhinderen van koken tot ik bij iemand ben die ik vertrouw, en de enige die ik echt vertrouw ben jij. En dan is het allang meer dan koken, is het als een vulkaan die uitbarst. Dan doe ik je pijn, omdat ik weet dat jij de enige bent die ik mag pijn doen, en toch nog van me zal houden. Jij bent namelijk de enige die ook nadat mijn masker is afgevallen, en ondanks dat je me een lastig kind zal vinden, toch de volgende dag aan mijn bed zal staan om mij wakker te maken. Dat weet ik, dat is de zekerheid die ik heb.

Misschien moet je een nieuw kindje maken, zonder autisme, die je geen tranen in de ogen geeft, maar een glimlach rond je lippen. Waar je als kind geen zorgen over moet maken hoe het van school zal komen, of waar je je geen zorgen over moet maken dat het als tiener midden in de nacht je zal opbellen om het te komen halen omdat het liever dood wil dan nog lege omhulsels te zien, waar je je geen zorgen over moet maken of het ooit meer zal zijn dan een zorgenkind, je geen zorgen over moet maken wat er met hem of haar zal gebeuren als jij er niet meer bent. Ja, dat verdien je, dat had je eigenlijk verwacht voordat ik geboren was.

Want ja, net zoals het jou pijn doet om mij ongelukkig en overprikkeld te zien, doet het mij pijn jouw ongelukkig te zien met mij.

Ik doe alles voor je, mama, ja, zelfs weggaan, want dat kan ik wel voor jou doen, ondanks dat ik maar niet kan vluchten van mezelf. Zo vaak heb ik dat geprobeerd, ik zet dan mijn hoofdtelefoon op mijn oren waarin Epica maar door blijft schreeuwen en dan sluit ik mijn ogen, want haar schreeuwen is mooier dan het mijne.

Het enige wat ik maar niet lijk te kunnen, en waar jij zo naar verlangt, is mij gelukkig toveren, mijn borrelend schreeuwen vermanen te kalmeren.

Ja mama, jij bent het beu, dat begrijp ik, maar meer beu dan mij zal je het nooit worden.

Als je van me houdt … Waarheid vanuit het Johannesevangelie

truth-shall-set-you-free-300

“De waarheid zal je vrijmaken”… Vreemd genoeg een passage uit de bijbel die het best gekend is door high control groups. Dan betekent het vrij gemaakt te zijn van zonde, de zonde is dan de beperking. Zo noemen de Jehovah’s Getuigen hun leer niet alleen de Waarheid, maar zeggen ze ook van zichzelf dat ze ′in de Waarheid zijn′. Dat hun geluk gepaard gaat met een dure prijs, vergeten ze vaak, of willen ze liever binnenkamers houden. Want wie ′niet in de Waarheid is′ krijgt onherroepelijk de doodstraf: er zijn inmiddels acht miljoen Jehovah’s Getuigen, maar die andere zeven miljard mensen zullen tijdens armageddon vernietigd worden, welke religie je dan ook aanhangt of hoeveel je ook van God houdt, want jij hebt de Waarheid niet. Kinderen zijn hierbij de verantwoordelijkheid van de ouders, en kinderen die dus bij ongelovige ouders horen verdienen net zo goed de vernietiging. Het is geen excuus om aan te halen dat je de Waarheid niet kent, want iedereen kan de Waarheid inmiddels kennen doordat Jehovah’s Getuigen van deur tot deur gaan. Waarheid zal je dus niet alleen vrijmaken, maar ook je leven redden, of je vernietigen …

Waarheid is uitermate belangrijk, juist in high control groups, in de filosofie wordt al lange tijd uitgegaan van Nietzsche’s credo: ‘Er bestaat geen waarheid, enkel interpretatie′, of zoals Heidegger en Wittgenstein het bedachten: verschillende waarheden onder verschillende hoedanigheden. Een taalspel in feite. Niet voor niets zijn deze filosofische gedachten verplichte kost ook onder theologen.

De wet van de joden kende 633 geboden. Alles werd gecontroleerd, van wat men mocht eten tot wat men mocht aanraken. Terecht stelde dan ook Paulus dat redding door de wet onmogelijk was. De wet verdoemde. Paulus maakt dan ook in Rom 6 heel duidelijk dat de wet vervuld was, en dat geloof redding betekende. Wat hierbij belangrijk is, is dat Paulus niet spreekt over waarheid, maar over geloof. Daarom dat voor vele protestantse gemeentes ook mensen met andere meningen Gods liefde kunnen ervaren.

De bekende filosoof Hume stelde al dat de mens van nature dogmatisch is; hij kan het best opschieten met mensen die helemaal hetzelfde denken als hij en die dan ook dezelfde geboden onderhouden. Daarom is een high control group zo aantrekkelijk, je bent allen op dezelfde manier vrij, zo vrij dat je allen niets meer mag, maar zo ervaar je dat natuurlijk niet, en dat er gedacht wordt in jouw plaats, maakt je leven gewoon een stuk eenvoudiger. Maar noch Jezus, noch Paulus hadden het in hun onderwijzingen over veroordelingen. In een stuk, die weliswaar door exegeten betwijfeld wordt of het ooit tot de oorspronkelijke tekst behoorde, stelde Jezus: ′Wie zonder zonde is, werpe de eerste steen.′ (Joh 8,7) Ook toen hij met de Samaritaanse vrouw sprak aan de bron van Jakob gaf hij in droge constateringen aan dat hij weet had van haar zonde (ze had namelijk een man waarmee ze niet gehuwd was, een doodzonde volgens het jodendom), maar veroordeelde haar daaromtrent niet. (Joh 4) Jezus liet zich kennen als een man die at met zondaars en tollenaars. Hij was aimabel juist omdat hij hen niet veroordeelde. Ook Paulus stelde dat het niet noodzakelijk wil zeggen dat als wij niet langer onder een wet leven, we daarom een vrijgeleide hebben om zonde te begaan. (Rom 6,15-16) We zijn juist geen slaaf meer van de zonde. Paulus stelde juist het omgekeerde van wat vele religies en sektes de dag van vandaag beweren, niet dat gehoorzaamheid leidt tot de liefde van God, maar dat onze liefde tot God juist tot gehoorzaamheid leidt.

Mij werd ooit gevraagd omtrent de keuze van films die ik graag zag: ′Als je naar de film gaat, zou je dan durven vragen aan Jezus om met je mee te gaan?′ Mijn antwoord was: ′Jezus wel, maar de meeste van de ouderlingen niet′.

Maar in feite blijven wij allemaal kleine kinderen; kleine kinderen voelen zich het best in een omgeving waar grenzen duidelijk zijn aangegeven, vaak voor hun eigen bestwil, zonder dat ze echt zelf begrip hebben waarom die grenzen er zijn, al begrijpen ze het vaak maar al te goed als ze de grenzen overschrijden. Hetzelfde stellen de high control groups: de beperking van de vrijheid is voor de bestwil van het geheel. Unity as uniformity.

Toch is het een verkeerd begrip van zowel het concept waarheid als van het christendom. Warshow stelde ooit dat het christendom onder de religies uniek is omdat het een denkende religie is. Maar het christendom gaat echter niet om een leer, of een set geboden, zoals de andere twee Abrahamitische religies (of in het algemeen gesteld bijna alle religies). Het gaat om een persoon. Een ontmoeting (Schillebeeckx). Daarom kon Jezus vertellen: ′Ik ben de weg, de waarheid en het leven′. (Joh 14,6)

′Uw woord is waarheid′ zei Jezus (Joh 17,17). Maar dat woord was niet de Bijbel en de set voorgekauwde geboden, hoe kan dat ook, de bijbel zoals hij nu voorligt met het Oude Testament en de 27 boeken van het Nieuwe Testament bestonden in Jezus tijd helemaal nog niet. Meer nog, voor Jezus bestond de bijbel uitsluitend uit de Tanakh en zoals hij in de Bergrede duidelijk maakte was hij niet van plan deze teniet te doen, maar te vervullen. Vervolgens maakte hij enkele anti-thema’s op de geboden van de tien Woorden die onmogelijk houdbaar waren: vol lust naar een vrouw kijken was al overspel, iemand haten was gelijk aan moord … Interessant juist dat al die ′geboden′ te herleiden waren naar zijn samenvatting van de wet en de profeten: ′heb uw God lief en heb uw naaste lief′.

Het woord is zoals in de proloog van Johannes wordt geïdentificeerd (en trouwens nergens anders in het NT) Jezus zelf. Opnieuw: ‘Ik ben de waarheid.’ Een relatie.

′Als je van me houdt, zul je mijn geboden onderhouden’, stelde Jezus in het Johannesevangelie (Joh 14,15). Met de hand rond de keel wordt met dit vers vaak mensen onder het gareel gehouden. Maar het probleem is de volgorde van de woorden. Jezus zei namelijk niet dat je door zijn geboden te onderhouden zijn liefde kon verdienen. Neen, juist omdat je van hem houdt zul je je aan zijn geboden houden. Dit is het verschil tussen respect en angst. Een kind die van zijn ouders houdt zal zich proberen aan de regels te houden, ook als daar geen consequenties aan verbonden zijn, een kind dat bang is van zijn ouders zal maar tot op zekere hoogte zich aan de regels houden: als hij zich kan onttrekken van de consequenties, zal hij ook de regels overboord gooien. Zo is het ook met geloof, terwijl niet zondigen volgens de Bijbel niet mogelijk is, zorgt onze liefde voor God er juist voor dat we ten allen tijde zijn kant kiezen, ook wanneer dat ons moeilijkheden bezorgt.

Het is misschien het belangrijkste misverstand in het christendom dat er een verschil heerst tussen wat Paulus stelde en wat Jakobus stelde. Maar in feite is die er niet. Paulus maakte duidelijk dat doordat Christus zich aan het kruis had gehangen, hij onze zonden heeft gedronken. Dat is de betekenis van de beker waarover hij zijn Vader smeekte om hem van hem weg te nemen. Die zat vol onze zonden. Stel je voor dat iemand zoveel van je houdt dat hij besluit de boete die jou toekomt op zijn schouders te nemen. Dat doen alleen echte geliefden. Nu zijn wij, zoals Paulus stelt niet langer slaven van de zonde. Wij staan inderdaad niet meer onder de wet zoals de Joden, maar dat wil niet zeggen dat wij geen wet meer hebben. Die wet is de wet van het hart, van de liefde: ′Als je van me houdt, zul je mijn geboden onderhouden′.

En juist die vrijheid om te kunnen zondigen is zo belangrijk. Want die vrijheid zorgt ervoor dat we ook de vrijheid hebben goed te doen.

Commentaar op de eigen lof van de JG op de NWV

Inleiding

Op hun eigen site kun je volgend artikel lezen omtrent hoe nauwkeurig Jehovah’s Getuigen hun eigen Nieuwe Wereldvertaling vinden: https://www.jw.org/nl/jehovahs-getuigen/faq/nieuwe-wereldvertaling-nauwkeurig/
Als theoloog heb ik vrij veel onderzoek gedaan naar de Nieuwe Wereldvertaling… Zo heb ik mijn bachelorthesis hieraan gewijd, die ik waarschijnlijk op een latere datum online zal gooien. Maar toch wil ik enige nuances aanbrengen bij de beschrijving die ze op deze pagina geven. Let wel dat ik hier dingen waar ik het mee eens ben niet ter sprake breng. Daarom kan het eenzijdig lijken dat ik eigenlijk uitsluitend kritiek heb op de Nieuwe Wereldvertaling, laat hier dan meteen vertellen dat dit niet het geval is.

Getrouw aan Gods boodschap

“Veel Bijbelvertalingen zijn niet trouw aan Gods boodschap omdat ze liever menselijke tradities volgen. Ze vervangen bijvoorbeeld Gods naam, Jehovah, door titels als Heer en God.”

Eigenlijk is dat een beetje de pot die de ketel verwijt dat hij zwart ziet. De Nieuwe Wereldvertaling ′herstelt′ de naam Jehovah op 237 plaatsen in het Nieuwe Testament. Verschillende van deze Schriftplaatsen hebben betrekking op Schriftplaatsen uit het Oude Testament waar de naam van God wordt gebruikt in de Masoretische tekst, maar lang niet allemaal. Verschillende keren wordt kurios of zelfs een enkele keer theos naar eigen goeddunken met ′Jehovah′ vertaalt. In tegenstelling tot andere Bijbelvertalingen waar het weglaten van de naam wel tot soms vreemde uitspraken kan leiden (zoals twee keer het woord Heer na elkaar), heeft dit nooit een verandering van betekenis weer. Dit is echter met het aanpassen van kurios in het Nieuwe Testament door de naam Jehovah soms wel het geval.
Verder is er geen enkel vroeg-christelijk manuscript van het NT (en er zijn er zo’n 5000 gevonden) gevonden waar de naam van God in voorkomt. Dit is dus niet herstellen, maar aanpassen.

′De rooms-katholieke en Oosters-orthodoxe kerken hebben in hun Bijbels boeken opgenomen die ook wel de apocriefen worden genoemd. Maar die boeken hebben nooit tot de joodse canon behoord, en het is interessant dat de Bijbel zegt dat de Joden degenen waren aan wie ′de heilige uitspraken Gods werden toevertrouwd′ (Romeinen 3,1,2). Die apocriefe boeken zijn dan ook terecht niet in de Nieuwe-Wereldvertaling en veel andere moderne Bijbelvertalingen opgenomen.′

De canon van de Bijbel is geen exacte wetenschap. Bij het Nieuwe Testament is er b.v. lange tijd discussie geweest over boeken zoals de drie brieven van Johannes, de brief aan de Hebreeën en zelfs de apocalyps of ze wel thuishoorden in onze Bijbel. Pas halverwege de 4de eeuw beschreef Athanasius de canon zoals we die nu kennen van het NT met zijn 27 boeken in één van zijn paasbrieven. Maar er zijn heel wat meer evangeliën, handelingen, apocalypsen en brieven geschreven die het onderzoeken waard zijn en die lange tijd in de running zijn geweest om tot de canon te behoren, b.v. de Didaché, de eerste brief van Clemens of de Herder van Hermas.

Wat de joodse canon betreft was er ten tijde van de tempelperiodes niet echt een eensluidende joodse canon, de Tenach dateert pas van rond 90 AD. Vele van de apocriefe werken die men terug kan vinden in een Katholieke Bijbel hebben dan ook hun oorsprong in de Septuaginta (LXX), de ′Bijbel′ die doorgaans door Joden in de diaspora werd gebruikt, veelal zijn de apocriefe boeken van Griekse (en niet van Hebreeuwse) oorsprong, dat zijn b.v. de boeken der Maccabeeën, Ezra 4, Tobit, Judit… Deze werden ten slote door Maarten Luther uit de bijbel genomen, maar let dat Maarten Luther veel meer wilde schrappen, zo had hij b.v. ook graag het boek Jacobus uit onze Bijbel gehaald.

Getuigenissen van geleerden

′In een brief gedateerd 8 december 1950 schreef Edgar Goodspeed, bekend Bijbelvertaler en geleerde, over de Engelse Nieuwe-Wereldvertaling van de Christelijke Griekse Geschriften: „Ik ben geïnteresseerd in jullie zendingswerk en de wereldomvattende schaal waarop het plaatsvindt en ben zeer ingenomen met de natuurlijke, duidelijke en krachtige vertaling. Er spreekt een gedegen, serieuze kennis van zaken op brede schaal uit, waarvan ik kan getuigen.”′

De authenticiteit van de brief waarover hier sprake wordt althans door Robert Bowman in zijn boek ′Understanding Jehovah’s Witnesses (Baker Books, 1991) betwijfeld en wel om verschillende redenen:

  • De brief heeft geen handtekening en lijkt een kopie van een origineel (een getekend origineel is door het Wachttorengenootschap nog niet geleverd)
  • Terwijl de brief gedateerd wordt in 1950 werd hij pas door het Wachttorengenootschap voor het eerst gebruikt in 1982
  • De kritiek die Goodspeed levert op de NWV in deze brief gaan allemaal over onbelangrijke zaken; dit lijkt vreemd daar Goodspeeds eigen vertaling op vele belangrijke punten verschilt met dat van de NWV.

“De Britse Bijbelcriticus Alexander Thomson schreef over de Engelse Nieuwe-Wereldvertaling van de Christelijke Griekse Geschriften: „De vertaling is klaarblijkelijk het werk van bekwame en knappe geleerden, die hebben geprobeerd zo veel mogelijk van de zuivere betekenis van de Griekse tekst over te brengen als in de Engelse taal tot uitdrukking gebracht kan worden” (The Differentiator van april 1952, blz. 52).”

The Differentiator is geen wetenschappelijk tijdschrift, laat staat over bijbelvertalen, meer nog Alexander Thomson heeft geen officiële opleiding gehad in Grieks of Hebreeuws, zijn woorden kunnen dus niet als gezaghebbend worden beschouwd. Verder zou hij in de Differentatior van Juni 1959 hebben gesteld ′dat de NWV vol stond met Engelse woorden die geen equivalent hebben in het Grieks of in het Hebreeuws.′

“Hoewel de auteur Charles Francis Potter sommige weergaven wat ongewoon vond, zei hij: „De anonieme vertalers hebben de beste manuscriptteksten, zowel Griekse als Hebreeuwse, beslist met wetenschappelijke vaardigheid en scherpzinnigheid vertaald” (The Faiths Men Live By, blz. 300).”

Hier het volledige citaat: “Apart from a few semantic peculiarities like translating the Greek word stauros as “stake” instead of “cross”, and the often startling use of the colloquial and the vernacular, the anonymous translators have certainly rendered the best manuscript texts both Greek and Hebrew with scholarly ability and acumen” (The Faiths Men Live By, 1954 [fourth printing, 1955] (NY: Prentice Hall), p. 300).

Verder is het ook belangrijk de context van dit boek te begrijpen die vooral het goede ten toon wilde spreiden uit andere religies dan de eigene. Verder was Potter een unitariër die later in zijn leven het christendom heeft verlaten.

“Ondanks dat Robert McCoy van mening was dat de Engelse Nieuwe-Wereldvertaling zowel eigenaardige als uitmuntende weergaven bevatte, besloot hij zijn beoordeling ervan door te zeggen: „Uit de vertaling van het Nieuwe Testament blijkt dat er binnen de beweging [Jehovah’s Getuigen] geleerden aanwezig zijn die in staat zijn om met doorzicht de vele problemen van Bijbelvertalen het hoofd te bieden” (Andover Newton Quarterly van januari 1963, blz. 31).”

Maar verder stelt hij ook: “In not a few instances the New World Translation contains passages which must be considered as `theological translations.’ This fact is particularly evident in those passages which express or imply the deity of Jesus Christ.” (IBID)

Verder moet ook wel vermeld worden dat McCoy geen bijbelgeleerde is en ook niet als zodanig wordt herkend.

“Hoewel professor S. MacLean Gilmour zich in sommige weergaven in de Engelse Nieuwe-Wereldvertaling niet kon vinden, erkende hij dat de vertalers „een buitengewone beheersing van het Grieks bezaten” (Andover Newton Quarterly van september 1966, blz. 26).”

Hier wordt Gilmour maar gedeeltelijk geciteerd, vervolgens stelde hij: ′It is clear that doctrinal considerations influenced many turns of phrase, but the work is no crack-pot or pseudo-historical fraud′

“Thomas Winter, universitair hoofddocent, schreef in zijn beoordeling van de Engelse Nieuwe-Wereldvertaling die deel uitmaakt van de Kingdom Interlinear Translation of the Greek Scriptures: „De vertaling door het anonieme comité is volkomen up-to-date en consequent nauwkeurig” (The Classical Journal van april/mei 1974, blz. 376).”

Dit is het volledig citaat: “I think it is a legitimate and highly useful aid toward the mastery of koine (and classical) Greek. After examining a copy, I equipped several interested second-year Greek students with it as an auxiliary text.  After learning the proper pronunciations, a motivated student could probably learn koine from this source alone. …the translation by the anonymous committee is thoroughly up to date and consistently accurate. …In sum, when a witness comes to the door, the classicist, Greek student, or Bible student alike would do well to place an order.” (The Classical Journal, “The Kingdom Interlinear”, April-May 1974,  pages 375, 376)

Waarschijnlijk heeft hij het hier dus niet over de NWV-vertaling, maar over de vertaling van het Grieks in de Kingdom Interlinear, later zou hij in een brief aan Godelman bekennen: “I am not happy with the use now being made of the review,” en hij ging verder door enkele problemen aan te geven zoals Jezus woorden in Joh 8:58 (die de NWV vertaalt met “was ik er al”). Winter stelde: “No way to go here but ‘I am’

“Professor Benjamin Kedar, hebraïcus in Israël, zei in 1989: „Voor mijn taalonderzoek in verband met de Hebreeuwse Bijbel en vertalingen ervan, raadpleeg ik vaak de Engelse uitgave van de zogenoemde Nieuwe-Wereldvertaling. Telkens weer wordt mijn indruk bevestigd dat dit werk het resultaat is van een oprecht streven naar een zo nauwkeurig mogelijk begrip van de tekst.””

Let wel dat Benjamin Kedar (die trouwens geschoold is in Joodse geschiedenis en geen erkende geleerde is in de Bijbelse talen) het uitsluitend heeft over het Oude Testament, en niet over het Nieuwe Testament, waar juist de meeste problemen liggen.

“Jason David BeDuhn, universitair hoofddocent religiestudies, schreef naar aanleiding van zijn onderzoek van negen belangrijke Engelse vertalingen: „De NW [Nieuwe-Wereldvertaling] komt uit de bus als de nauwkeurigste van de vertalingen die met elkaar vergeleken zijn.” Hoewel het algemene publiek en veel Bijbelgeleerden aannemen dat de verschillen in de Nieuwe-Wereldvertaling het gevolg zijn van religieus vooroordeel van de kant van de vertalers, zei BeDuhn: „De meeste verschillen zijn toe te schrijven aan de grotere nauwkeurigheid van de NW als letterlijke, conservatieve vertaling van de oorspronkelijke uitdrukkingen van de schrijvers van het Nieuwe Testament” (Truth in Translation, blz. 163, 165).”

Ook BeDuhn is geen geleerde op het gebied van Bijbeltalen en dat merk je als je zijn boek “Truth in translation” erop na leest. In mijn bachelorthesis heb ik nauwkeurig zijn commentaar op Joh 1,1 onderzocht en heb ik heb verschillende keren op fouten betrapt (zo wil hij een bepaalde schriftplaatsen vergelijken met Joh 1,1 terwijl de vergelijking niet opgaat omdat de Schriftplaats die hij citeert niet over een zelfstandig naamwoord gaat)

Kinderen binnen een homohuwelijk

Inleiding

Onlangs kwam ik op een essay terecht van een vrouw die opgevoed is door twee lesbische vrouwen, en terwijl ze ooit een felle voorstander was van kinderen binnen een homo-huwelijk, komt ze nu uit de kast als in feite een tegenstandster hiervan. Het is trouwens niet de eerste keer dat ik op een essay stuit over dit onderwerp in de negatieve zin door iemand die door een homokoppel is opgevoed zonder dat de wederhelft van het biologische ouderschap nog in het leven van het kind aanwezig was.

Terwijl het tegenwoordig de consensus is om het vrij normaal te vinden dat een homo-koppel ook zijn kinderwens vervult, en waarover de felle voorstanders zelfs zeggen dat het beter is dan binnen een heterohuwelijk (heel vaak met voorwaarden, zoals een vader die afwezig is), is er eigenlijk weinig onderzoek hier naartoe verricht door neutrale, wetenschappelijke bronnen. En als er onderzoeken naar gedaan zijn, zijn die vaak op een verkeerde leest geschoeid. Zo gaat men vaak alle kinderen bekijken: de kinderen binnen eenoudergezinnen, de kinderen in nieuw samengestelde gezinnen, en dan uiteraard ook de kinderen binnen een homo-gezin. Het probleem met zo’n onderzoeken is juist dat ze niet de impact die de afwezigheid van een biologische ouder onderzoeken, maar onderzoeken wat het beste geval is in een eigenlijk al abnormale situatie. Zowel kinderen in één-oudergezinnen als kinderen in een samengesteld gezinnen ontberen al één van de biologische ouders. Verder is het vergelijken met een ouder die zijn/haar kind mishandeld vrij oneerlijk.

In onderzoeken die de ouderschapskwaliteiten onderzoeken lijkt een lesbisch koppel het beste uit de verf te komen omdat ze beide vooral gelijkheid ambiëren in het opvoeden van het kind, terwijl een homo-koppel (mannen) het slechtst uit de verf lijken te komen. Een hetero-koppel hangt er een beetje tussenin waar het vooral de moeder is die de zorgende taken van het kind op zich neemt. Een vrij klassiek beeld natuurlijk van het ouderschap.

Biologisch ouderschap

Heather Barwick (essay) stelt dat ze het grootste deel van haar jeugd verlangd heeft naar een vader. En daar kan ik vrij goed inkomen. Het spreekwoord luidt dat bloed kruipt waar het niet gaan kan. Ook in mijn eigen ervaring merk ik dat; zo’n anderhalf jaar geleden is mijn vader aan de gevolgen van kanker overleden. Ik had de man al twintig jaar niet meer gezien en al zeker zo’n vijfentwintig jaar niet meer als mijn vader beschouwd. Toch moest ik door een zekere rouwperiode heen bij het verliezen van deze man die er eigenlijk zelden is geweest. Een gevoel dat ik ook bij mijn jongste zuster bespeurde die dezelfde ervaring had wat onze vader betreft.

Heather stelt dat de lesbische partner van haar moeder die leegte niet kon opvullen. In de commentaren die op haar essay volgen, maken de mensen over het algemeen opnieuw de fout door het te vergelijken met een nieuw samengesteld gezin. Dat was het in feite wel waar Heather in terechtkwam, maar haar commentaar is aanzienlijk terecht dat we het vrij normaal vinden dat kinderen van gescheiden ouders een rouwperiode door moeten, of kinderen die in een nieuw samengesteld gezin terechtkomen zich daar moeten aan aanpassen (en daar tijd voor nodig hebben om het er het beste van te maken) en dat het logisch is dat het kind pijn ervaart bij het ontbreken van de biologische ouder.

Als we echter het welbevinden van kinderen willen bekijken in de context van een homo-huwelijk ten opzichte van een hetero-huwelijk, dan moeten we dit bekijken vanuit het standpunt waarin het kind geboren wordt. En daarom is misschien Heather niet de meest uitstekende woordvoerdster, daar ze het resultaat is van een gebroken gezin. Het gaat namelijk vooral of het verantwoord is binnen een homo-huwelijk (via donorschap b.v.) een kind op de wereld te zetten. En om dan ook te onderzoeken hoe het welbevinden van een kind is binnen een hetero-huwelijk waar beide ouders biologisch zijn, of binnen een homo-huwelijk, waar maar één partij een biologische ouder is, en waar er dus altijd een biologische partij ontbreekt.

Heather wil dan ook absoluut niet aanklagen dat haar moeder een slechte taak heeft volbracht. Uit haar essay blijkt duidelijk dat ze een grote liefde voor haar moeder heeft, maar dat ze wel haar vader heeft gemist. Ik zet hier opzettelijk “haar vader” want het gaat niet om “een vader”. Bloed lijkt gewoon niet door een andere partij vervangen te kunnen worden. Het probleem binnen het homo-gezin ligt dan ook niet in het feit dat beide partijen van dezelfde sexe zijn. Het koppel kan als ouders gewoon ronduit vergeleken worden met een nieuw samengesteld koppel waarvan de kinderen de nieuwe partner voor beter of voor slechter dienen te accepteren. Maar het lijkt erop dat die andere partij nooit de biologische ouder helemaal zal kunnen vervangen.

Jurgen Mettepenningen mag dan door sommigen een idioot gevonden worden, hij heeft wel gelijk.

Vandaag verscheen op de redactie.be een opinie-stuk van Jürgen Mettepenningen. Terwijl ik het stuk vrij goed kon smaken wil ik het niet zozeer hebben over zijn opinie-stuk, maar wel over de reacties die het op facebook teweeg bracht, vooral natuurlijk door de man met de pet die steeds hoog van de toren blaast, zolang het maar veilig van achter zijn PC is.

Eerst en vooral wil ik ten stelligste ontkennen dat Mettepenningen een idioot zou zijn, of dom zou zijn. Mettepenningen is theoloog verbonden aan de KU Leuven en tevens bisschoppelijk afgevaardigde Onderwijs in het aartsbisdom Mechelen-Brussel. Geloof maakt iemand niet noodzakelijk dom, en zeker niet op dit niveau van de wetenschap. Zoals Polkinghorne ook al stelde (een fysicus en Anglicaans priester): wetenschap en geloof kunnen hand in hand gaan. De faculteit theologie aan de KU Leuven is misschien een kleine, maar het zit boordevol mensen op zoek naar zingeving in hun leven, mensen op zoek vooral naar dialoog, en neen je vindt er niet alleen Katholieken, maar ook Moslims, Joden en ja, zelfs hier en daar een protestant.

Inderdaad christen-zijn is niet meer populair in onze westerse maatschappij, toch blijkt niet dat de mens minder spiritueel zou zijn dan pakweg honderd jaar geleden. Uit cijfers blijkt dat we nog heel spiritueel zijn, maar vaak ons heil niet meer in de kerk zoeken. Vooral Oosterse religies doen het goed. Hierbij moet wel vermeld worden dat het vooral gaat om een oosterse religie met een westers tintje. Zo ziet mijn de reïncarnatie vaak als een zegen hier in het westen, terwijl het in Oosten vaak een ware vloek is. Het christendom is niet meer modern, al betwijfel ik of de overgrote meerderheid van de mensen die het christendom afwijzen wel weten wat de essentie van het christendom is. We zouden hier dan ook een discussie kunnen voeren over dom zijn.

Maar in de titel van zijn stuk heeft hij ronduit gelijk, het christendom, en bij uitbreiding geloof in het algemeen heeft nog grond op het publiek forum. Op het einde van zijn opinie-stuk maakt hij dan ook volgende opmerking:

“In deze barre tijden waar onmeetbare zaken gemeten moeten worden om hun waarde te kunnen inschatten, kwam men tot de schatting dat door de inzet van de christelijke kerken de Rotterdamse samenleving zo’n 110 à 133 miljoen euro (!) bespaart. Die inzet betreft vooral “psychosociale en maatschappelijke zorg en hulpverlening” en gebeurt uitdrukkelijk vanuit de christelijke kerken, kortom: uitdrukkelijk mede in de naam van God. De rol van vrijwilligers bleek in het onderzoek overigens van groot belang.

Ook in Vlaanderen gebeurt enorm veel goed werk, mede in de naam van God, door christenen en anderen, door bezoldigde krachten en door vrijwilligers. Bij vele discussies die de opiniebladzijden halen omtrent levensbeschouwing denk ik wel eens: goed dat er debat is en dat de meningen kunnen klinken, maar zouden we ook eens de zegeningen willen tellen alstublieft?! Ook die verdienen gekend te zijn evenals God en godsdienst als inspiratiebron en betekenisgever ervan. Kennis en verdraagzaamheid gaan hand in hand…”

Voor velen moet geloof een privé-aangelegenheid worden waarvan het debat nog enkel binnenskamers mag gevoerd worden. Ook Bauer stelde dat het Jodendom een privé-aangelegenheid moest zijn, iets wat door Marx zelfs weerstreven werd (trouwens niet omdat Marx zo verdraagzaam was op het gebied van religie)… En ik hoef waarschijnlijk niemand te herinneren aan de twintigste eeuw waar het bestrijden van religie tot miljoenen doden heeft geleid: zes miljoen joden in de Tweede wereldoorlog en talloze miljoenen die het leven lieten in de Sovjet Unie, met als enige misdaad gelovig te zijn.

Ook dat de vrede van God met het zwaard zou verdedigd zijn is helemaal niet het geval. Volgens The Encyclopedia of War zou maar zo’n 6 % van alle geweldsdoden te wijten zijn geweest aan religie… De belangrijkste factor volgens ditzelfde werk zou het communistisch-atheïstisch bewind zijn geweest. Dit wil niet zeggen dat atheïsten of communisten meteen als gewelddadig op het schavot moeten geplaatst worden, het bewijst vooral dat de mens van nature dogmatisch is… Dat zie je ook bij de nieuwe Atheïsten die zich een superieure positie willen aanmeten ten opzichte van christenen of andere religieuzen. En laat dat nu juist zijn waar Jezus zich zo tegen keerde. Toen hij boos was was dit niet op de doorsnee Jood die gebukt ging onder de lasten van het Romeinse Rijk, maar op de fundamentalisten van het Joodse Geloof, degene die dachten dat ze de waarheid in pacht hadden, en vonden dat ook anderen hun mening moesten delen. Toen hij met de vrouw aan de bron sprak (Samaritaans notabene; Joden leefden op voet van oorlog met de Samaritanen) dan was zijn eerste opmerking niet het feit dat ze in zonde leefde met een man die haar man niet was, maar dat hij haar levend water wilde schenken. Sommigen wilden Jezus achter hun kar spannen, met name een zelotische zienswijze aanwrijven (de Zeloten waren revolutionair en wilde vooral het Joodse rijk gewapenderhand ontdoen van de Romeinse overheersing), maar als hij al revolutionair was, dan het was het een revolutionair van de liefde, die daar ook de hoogste prijs voor betaald heeft.

Ik heb inmiddels verschillende mensen tot bekering zien komen, en kan alleen maar zeggen dat niemand hun mildheid en opgewektheid terug de grond kan inboren. Het is prachtig om te zien hoe hun gezicht verlicht, zoals Jezus zei: kom tot mij die zwaar beladen zijt, want mijn juk is licht.

Mettepenningen stelt dat onwetendheid en onverdraagzaamheid vaak hand in hand gaan. En daar heeft hij gelijk in. Onbekend maakt onbemind is een andere spreuk die we vaak hanteren. Laten we er dan ook naar leven door te weten waarover we het hebben als we het christendom afwijzen, of het scharen onder elke andere religie van de wereld. Laten we vooral niet vergeten dat de mens van nature dogmatisch is, dat is voor een christen net zo goed het geval als voor een Moslim als voor een Boeddhist (ja ook Boeddhisten hebben doden op hun geweten in de strijd voor hun geloof). Wat het belangrijke verschil is tussen het christendom en andere religies is juist dat de leider  een lijder was. Zoals hij zelf stelde toen in van zijn discipelen het oor van een slaaf afsloeg omdat hij zijn meester wilde verdedigen: “Wie naar het zwaard grijpt, zal door het zwaard vergaan.”

Over de overbodigheid van een faculteit theologie

Steeds meer profileert Maarten Boudry zich als de Richard Dawkins van de lage landen, waarmee ik hem niet wil complementeren met zijn intellect, dat wil ik in het midden laten, maar wel wil bekritiseren op zijn dogmatische houding als atheïstische evangelist tegenover religie.

Maarten Boudry zal in het collectieve geheugen van de theologie altijd bekend staan als die neptheoloog die ooit brieven stuurde naar enkel conferenties, vol onzin, die ten zeerste door het theologisch establishment werden serieus genomen. Een “grap” waarmee hij nog steeds fel te koop loopt gezien zijn bijdrage onlangs in De Standaard.

Nu heeft hij het weer gedaan; onlangs zond hij een tweet de wereld in, uiteraard zoals het een goede wetenschapper betaamd in de Wetenschappelijke taal Engels, (of was het om meer lezers te trekken?): “No self-respecting university should have a Faculty of Theology. Even a Faculty of Astrology would make more sense. At least stars exist.” 266px-maarten_boudryGrappig bedoeld, zo zegt hij zelf, maar zoals mijn moeder mij ooit als kind leerde: “Door humor zegt de gek zijn mening” (of zoiets). We lachen ons natuurlijk allemaal te pletter.

Toch zou Maarten Boudry niet zo hoog van de toren moeten blazen als gespecialiseerd in de moeder van alle wetenschappen, waar ook wel eens het één en ander misloopt gezien de verschillende opvattingen, de evolutie door de jaren heen (zo had Descartes niet één maar twee bewijzen voor het bestaan van God, en wilde Lacant het onderbewuste structureren als een taal), en de hedendaagse opvattingen.

Zijn tweet laat duidelijk een gebrek aan kennis zien van wat theologie beoefenen op academisch niveau nu wel wil zeggen. Voordat ik mijn studie aanvatte aan de theologische faculteit van de Universiteit Leuven (niet de minste zichzelf niet respecterende universiteit van België, maar goed, in hetzelfde rijtje horen universiteiten als Harvard en yale (beiden ook met een faculteit theologie)) las ik op hun site dat het geloof van de student niet geëxamineerd werd. Ook dit jaar heb ik een vrij katholieke jongeman geïnterviewd die wat zijn ongenoegen uitte dat er zoveel theologie-studenten zich eigenlijk niet met geloof bezig wilden houden. Theologie op academisch niveau is dan ook niet een studie in geloof. Mijn ervaring is dat je in een theologiestudie zowat met alle facetten die de mens eigen zijn, wordt geconfronteerd: filosofie, geschiedenis, psychologie… En ja uiteraard ook met religie en geloof. Maar is dat zo uitzonderlijk? Miljarden mensen op deze planeet hebben een vorm van geloof, meer nog, ook in België die gezien wordt als een seculier land, is amper 12 % atheïstisch. Als theoloog is het onze taak om een brug te slaan tussen die mensen en hun spirituele en theologische vragen en belevingen. Onlangs is er door de politie een vacature uitgeschreven voor een hoofdinspecteur met kennis van de Islam… Terwijl de Islam vooral geschaard wordt rond de regiostudies kan men ook aan de theologische faculteit Islamologie studeren en is voor een student theologie een inleiding in de Islam en de relatie tussen Islam en Christendom geen overbodige luxe. Het lijkt mij een belangrijk onderwerp in ons steeds verder Islamiserende wereld om in dialoog te kunnen gaan met de Moslim, als hij nu behoort tot de velen die nooit terrorrist worden, of daadwerkelijk radicaliseert. Of denkt Boudry dat we deze personen tot “rede” kunnen brengen door hen te wijzen op de vele problemen in zijn geloof, zonder daadwerkelijk te weten wat die persoon gelooft of waar hij zijn spiritualiteit vandaan haalt? En juist dat zijn allemaal onderwerpen die in een studie theologie aan bod komen. Maar niet enkel de Moslim is bezig met spirituele vragen. Spiritualiteit hoort bij de mens, en heeft zelfs volgens sommigen een evolutionair karakter en wie is beter een antwoord te geven, zonder die mensen direct te stigmatiseren, dan een theoloog die misschien nog een bijkomende richting pastoraat heeft gevolgd?

Neen Maarten Boudry, als theoloog heb ik niet meteen mijn bijbelstudie kunnen verrijken… Wel heb ik geleerd hoe Joden, Moslims en andere gelovigen hun religie en geloof beleven. Heb ik geleerd hoe de relatie tussen deze religies en mijn westers, christelijk geloof is geëvolueerd en verder kan evolueren. Ik heb klassiek Grieks en klassiek Hebreeuws geleerd, ik heb de geschiedenis van de kerk beschouwd van zijn beginperiode in de eerste eeuwen van onze jaartelling tot de dag van vandaag. En ja, ik heb ook vrij veel filosofie tot mij genomen vanaf de natuurfilosofen zoals Parmenides en Heraclitus tot Foucault. Als student theoloog heb ik dan ook vooral leren denken en heb ik de geschiedenis van het denken onder de loep genomen, die eigenlijk nog maar vrij recent seculier is geworden. Theologie is geen bijbelstudie, al kan bijbelstudie er wel een deel van uitmaken.

Theologie heeft dus een vrij groot raakvlak met geloof (ze gaan allebei over hetzelfde), net zoals astronomie dat heeft met astrologie (ze gaan ook allebei over hetzelfde).  Ik studeer dan ook geen theologie om een gelovige te worden, ik studeer theologie omdat ik een gelovige ben. Meer nog, ik ben niet eens katholiek.

Terug naar Genesis

Buideldieren1

In de traditionele theologie worden de eerste elf hoofdstukken onderverdeeld in vier verhalen:
– Het verhaal van de schepping
– Het verhaal van de broedermoord
– Het verhaal van de zondvloed
– Het verhaal van de spraakverwarring

Verder kunnen deze verhalen twee aan twee bekeken worden… De verhalen over schepping en de zondvloed staan dan bekend als de breuk met God, de verhalen van de broedermoord en de spraakverwarring zijn dan de breuk van mensen onderling.

Het zijn leerverhalen die absoluut niet letterlijk moeten worden gelezen. Zo lijkt in het Hebreeuws het eerste hoofdstuk van genesis duidelijk een gedicht met heel veel taalspel en parallellisme, een belangrijk kenmerk van joodse poëzie. Dat is bijna niet te ontkennen als je dit eerste hoofdstuk in het Hebreeuws leest. Ook het idee dat met jom (het woord dat meestal vertaald wordt met dag) eerder een langere periode zou bedoeld worden, lijkt vergezocht als je de structuur van het gedicht bekijkt (en het werd avond en het werd morgen, een eerste dag (jom)). Toch was al iemand zoals Origenes in de 3de eeuw ervan overtuigd dat de dagen in het genesisverslag niet letterlijk mochten gelezen worden, omdat men al sprak van dagen, terwijl pas op de vierde dag de hemellichamen werden geschapen die hiervoor konden zorgen.

Ook het verhaal van de zondvloed kent zijn problemen. De ene keer wordt gezegd dat Noach een paar van elke soort mee moet nemen in de ark, dan weer wordt gezegd dat hij van alle reine dieren er zeven moet meenemen.

wereldkaartBuideldieren en de zondvloed

Een bekende kritische tegenwerping van mensen die niet geloven in de letterlijkheid van de zondvloed is het probleem met bepaalde dieren die enkel op bepaalde plaatsen op aarde voorkomen. Zo komen buideldieren enkel in Australië en in Zuid-Amerika voor. Als de zondvloed heeft plaatsgevonden, hoe zijn die dieren dan zo ver van de berg Ararat terecht gekomen? Zijn ze helemaal te voet tot in Australië gelopen?

Hier lijkt evolutie dan ook voordeel van verklaring te hebben… Deze dieren zijn gewoon daar tot hun soort geëvolueerd. De kangoeroe is dan ook in Australië tot het bekende buideldier geëvolueerd.

Het probleem is echter dat dit niet lijkt te kloppen met het fossielenverslag zoals het ons nu voorligt. De fossielen maken namelijk duidelijk dat buideldieren niet geëvolueerd zijn in Australië, maar afkomstig zijn uit eurazië2 en Noord-Amerika. De fossielen zijn schaars, maar één zo’n fossiel van een zoogdier Sinodelphys szalay is gevonden in de provincie van Lianing, in het noordoosten van China.3

Dus in feite, hoe je het ook bekijkt, vanuit evolutionistisch of creationistisch standpunt: hoe buideldieren in Australië zijn gekomen, lijkt, volgens de bewijzen die we nu voorhanden hebben het gevolg van verplaatsing.

Meer nog, het lijkt bijna plausibeler uit te gaan van een zondvloed, omdat die een verandering in atmosfeer en aardoppervlak kan verklaren die het gemakkelijker maakt voor mens en dier om via landbruggen naar andere delen van de wereld te reizen, aldus ICR, een organisatie van een groep creationistische wetenschappers.4

Zo zou tijdens de laatste ijstijd, die door de zondvloed zou veroorzaakt zijn, de zeespiegel zo’n 107 meter lager hebben gelezen dan nu het geval is5, waardoor verschillende landbruggen tussen eilanden zouden hebben bestaan en waardoor dus dier en mens gemakkelijk over land van één eiland naar een ander kon reizen.

1Gebaseerd op: http://www.icr.org/article/9806 (toegang: 04/02/2017)

2Cifelli, Richard, David, Brian, Marsupial Origins, in Science, Dec 12, 2003

3Ibid.

4Een belangrijk boek die dit allemaal verklaart werd al zo’n vijfentwintig jaar geleden door hen uitgegeven: Whitcomb, John, Morris, Henry M., The Genesis Flood (http://www.icr.org)

Een inleiding op het synoptisch probleem

De synoptische evangelies

De eerste drie evangelies in de bijbel (Mattheüs, Marcus en Lucas) worden de synoptische evangelies genoemd omdat ze zoveel gelijkenis met elkaar vertonen. Van de 662 verzen in het evangelie volgens Marcus zijn er 406 ook terug te vinden in zowel Mattheüs als Lucas. 145 enkel in Mattheüs, 60 enkel in Lucas en 51 enkel in Marcus.1

Het evangelie volgens Johannes wordt in deze vergelijking niet meegeteld, omdat het uiterst verschillend is ten opzichte van de andere evangelies.

De term synoptische evangelies werd voor het eerst gebruikt door Griesbach aan het einde van de achttiende eeuw, die voor het eerst gedrukt werden in 1774 als deel van zijn Libri Historici Novi Testamenti Graece en twee jaar later nog eens als Synopsis Evangeliorum matthaei, Marci et Lucae textum Graecum.2

Synoptisch komt van het Griekse συνωσις wat “tezamen kijkend” betekent. Griesbach koos dit woord doordat er zoveel gelijkenis te bespeuren valt tussen Marcus, Mattheüs en Lucas in de zending van Jezus Christus.

Toch is het idee dat er gelijkenis was tussen de evangelies geen idee dat pas rond de 18de eeuw de kop op stak. Al Tatianus combineerde in de tweede eeuw de vier evangelies in zijn Diatessaron, en ook Augustinus schreef een verhandeling met de titel De Consensu Evangelistarum (“De harmonie van de evangelies”).3 Deze was geschreven om de harmonie tussen de evangelieverslagen te bewijzen tegen degenen die hun schijnbare contradicties wilden aantonen.4

Maar vooral sinds de moderne bijbelkritiek aan het einde van de achttiende eeuw, werd dus serieus onderzoek naar de gelijkenissen tussen de evangelies gedaan.

Het Synoptisch probleem

Eén naslagwerk beschrijft beknopt dat het synoptisch probleem erin bestaat dat er tussen de drie synoptische evangelies een relatie met elkaar bestaat, het probleem is dan om de natuur van die relatie te bepalen.5

Het is namelijk opmerkelijk dat bij het onderzoeken van de Griekse tekst van deze synoptische evangelies gezien kan worden dat sommige gebeurtenissen in exact dezelfde bewoordingen in twee van de drie evangelies uitgedrukt zijn. Zo ziet men bijvoorbeeld in Marcus 8,13-32 dat er wat de werkwoorden betreft zo’n grote gelijkenis is met de corresponderende gedeelten in Mattheüs dat de teksten van beide als dezelfde tekst zou kunnen doorgaan.6

Maar hoe verhoudt zich nu deze relatie tussen de drie evangelies?

Tot aan de 18de eeuw werd algemeen aangenomen dat de volgorde waarin de evangelies in de bijbel voorkomen, ook de volgorde is waarin de evangelies geschreven zouden zijn. Ook nu nog houden bepaalde exegeten aan dit idee vast, maar langzaam kwamen andere stemmen op het toneel. Vooral de prioriteit van Marcus als het eerste evangelie waaruit zowel Mattheüs als Lucas zouden hebben geput heeft aan terrein gewonnen.

Maar er zijn meer stemmen: zo is er b.v. gesuggereerd dat de overeenkomsten tussen de evangelies het resultaat is door de afhankelijkheid aan mondelinge tradities of dat ze uit een vroeger evangelie hebben geput…7

Eén geleerde beschrijft het synoptisch probleem als drie spiekende studenten:

“Bij het analyseren van de examens [van drie studenten: Primus, Secundus en Tertius], vindt [een examinator] dat er vaak overeenstemming is tussen Primus en Secundus terwijl Primus vaak met Tertius verschilt, en Tertius vaak in overeenstemming is met Secundus waar hij met Primus verschilt, terwijl Primus en Tertius zelden met elkaar overeenkomen op de plaatsen waar ze met Secundus verschillen. Hij zal dan tot het besluit komen dat Primus, Secundus en Tertius samen zaten tijdens de examinatie en dat Secundus de jongen was die in het midden zat waarvan de twee aan de uiteinden hebben gekopieerd. Primus en Tertius konden niet van elkaar kopiëren omdat Secundus tussen hen inzat; waar Primus en Tertius met elkaar overeenkwamen, was dat het geval omdat zij van Secundus hadden gekopieerd…. Dit concreet voorbeeld illustreert een algemene regel: wanneer twee documenten met elkaar overeenkomen in stukken die ze gemeen hebben met een derde document en met geen andere, dat de veronderstelling is dat twee personen van de derde hebben geleend.”8

De mondelinge traditie: vormkritiek

Vormkritiek werd eerst en vooral toegepast op de teksten van het Oude Testament, en dit vooral op het gebied van de pentateuch, waar men ervan uitgaat dat verschillende redacteuren aan het werk zijn geweest. Men kwam vooral tot dit besluit doordat er verschillende stijltechnische problemen lijken te zijn in de tekst, waardoor het onmogelijk lijkt dat de pentateuch, die vanouds aan Mozes als schrijver werd toebedeeld, het werk zou zijn van één schrijver.

Pioniers zoals Karl Ludwig Schmidt, Martin Dibelius en Rudolf Bultmann zagen de mogelijkheden hiervan ook voor het Nieuwe Testament, waardoor de verschillende perikopen en gezegdes van Jezus in stukken werden gekapt en aan verschillende bronnen werden toegewezen.

Ook Westcott stelde dat een onafhankelijk gebruik van mondelinge tradities voor de gelijkenissen van de synoptische evangelies zorgde.

Terwijl ze het niet eens zijn over de manier waarop de vormkritiek gestalte zou hebben gekregen, hebben ze niettemin enkele aannames gemeen:9

  • De verhalen en gezegdes van Jezus circuleerden in kleine onafhankelijke eenheden.

  • Het overbrengen van het evangeliemateriaal valt te vergelijken met de manier waarop andere verhalen en religieuze tradities werden overgebracht.

  • De verhalen en gezegdes van Jezus hadden een zekere standaardvorm die voor het grootste gedeelte nog zichtbaar is in de huidige evangelies.

  • De vorm van een specifiek verhaal of gezegde maakt het mogelijk om te bepalen hoe het zich tot de vroege kerk verhield. Hierover zegt Bultmann het volgende: “The proper understanding of form-criticism rests upon the judgement that the literature in which the life of a given community, even the primary Christian community, has taken shape, springs out of quite definite conditions and categories. Thus every literary category has its life situation”.

  • Terwijl de vroege christelijke gemeenschap de gezegdes en verhalen van Jezus in bepaalde vormen goot, pasten ze deze ook aan aan hun eigen noden en situaties.

  • Klassieke vormcritici hebben verschillende criteria gebruikt die het hen mogelijk maakten om de leeftijd en de historische betrouwbaarheid van bepaalde perikopen te kunnen bepalen.

Toch is ook de vormkritiek niet behouden gebleven van kritiek. Vooral het feit dat ze de historiciteit van de evangelies in twijfel zouden trekken, hebben bij veel christelijke exegeten op dit gebied kwaad bloed gezet. Verder is hen ook in de schoenen geschoven dat ze te weinig aandacht zouden hebben besteed aan de rol van het individu bij het vormen en overbrengen van het materiaal. Verder lijkt de gelijkenis te groot te zijn om ervan uit te gaan dat de synoptische evangelies literair onafhankelijk waren. Dit lijkt vooral duidelijk te worden wanneer de parallelle verhalen naast die van Johannes worden geplaatst. Zo lezen we in alle vier de evangelies het verhaal waar vijfduizend mensen door vis en brood worden gevoed. In alle drie de synoptische evangelies (Mat 14,19b-20; Mark 6,41-42 en Luc 9,16-17) wordt in het Grieks het woord ιχθυς voor vis gebruikt. Dit is echter in het verhaal dat we in Johannes kunnen lezen (Joh 6,11-12), niet het geval, daar wordt ὀψαρίων voor vis gebruikt.

Lang werd geaccepteerd dat in de vroege kerk, mondelinge tradities een belangrijke rol speelden in de overgang van het materiaal dat in de evangelies werd opgenomen. Maar, zoals Dunn aangaf is de discussie van het synoptisch probleem meer een literair probleem geworden, terwijl de rol van de mondelinge tradities naar de achtergrond is verschoven.10

Er is dan ook zeker geen eensgezindheid over een oplossing voor het synoptisch probleem. In het vervolg van deze studie wil ik dan ook de verschillende theorieën die over de tijd zijn ontstaan kort toelichten.11

De Augustiniaanse hypothese

Augustinus, de bisschop van Hippo, bepleitte dat de volgorde waarin de evangelies in de bijbel voorkomen ook daadwerkelijk de volgorde is waarin ze geschreven waren; Mattheüs was oorspronkelijk in het Hebreeuws geschreven, zoals hij aangaf in zijn De Consensu Evangelistarum: “Van deze vier, is het waar, dat alleen van Mattheüs wordt beschouwd dat hij in de Hebreeuwse taal zou hebben geschreven; de anderen in het Grieks.”

Augustinus was in de vroege kerk niet de enige die geloofde dat er een Hebreeuwse – of eerder een Aramese – versie bestond van het Mattheüs-evangelie; Papias (ca. 60-130) was de eerste die stelde dat er een Hebreeuwse versie bestond, maar werd verder bijgestaan door latere kerkvaders zoals Iraenaeus, Origenes, Eusebius en Epifanius. Toch stelt Howard in zijn boek “Hebrew Gospel of Matthew” dat de verwijzingen en citaten van deze personen geen of weinig connectie hebben met het Mattheüs-evangelie zoals wij het nu kennen.12

Ook de decaan van Westminster stelde expliciet: “Er is geen basis om te denken dat enig deel van het verhaal ooit in enig andere taal dan in het Grieks bestond.”13

Marcus zou vervolgens Mattheüs nauwkeurig gevolgd hebben, maar zijn werk ingekort hebben. Iets wat twijfelachtig is, daar men er voornamelijk vanuit gaat dat verhalen eerder verbreed dan ingekort worden. Lucas zou dan Marcus hebben gebruikt, en geen weet gehad hebben van Mattheüs.

De Augustiniaanse hypothese werd door de Rooms Katholieke kerk als officiële leer aangenomen vanaf 1912, wanneer de Biblical Commision gesticht door Paus Leo XIII daarover een uitspraak deed.

In de twintigste eeuw werd zij gevolgd door Butler en Vaganay: Mattheüs was het eerste evangelie, dat gebruikt werd door Marcus als bron. Lucas maakte vervolgens gebruik van Mattheüs en Marcus als bronnen.

Wenham heeft er een aangepaste versie van overgenomen.14

Fragmentaire hypothese

Deze theorie is in feite een verdere uitwerking van de Augustiniaanse hypothese, en werd door Schleiermacher, een voorname theoloog uit de negentiende eeuw ontwikkeld.

Hij stelde volgende zaken voor:15

  • De evangelies ontstonden uit korte verhalen van Jezus leven en leerstellingen;

  • deze verhalen werden opgeschreven door de apostelen, die geen uitgebreidere werken raadpleegden;

  • Deze verhalen werden uiteindelijk samengebracht naar onderwerp, zoals natuurwonderen, parabelen, exorcismes…

De ur-evangelie hypothese

Een andere variatie op de Augustiniaanse hypothese is van de hand van Lessing (1729-1789) en Eichorn (1752-1827).

Zij gingen ervan uit dat er een oerevangelie aan de oorsprong van de evangelies lag. Dit evangelie zou oorspronkelijk in het Aramees geschreven zijn, wat de oorspronkelijke taal van Jezus was. Elke synoptische schrijver zou gebruik gemaakt hebben van een eigen versie van dit oerevangelie, wat de variatie en de gelijkenissen van de evangelies zou verklaren.

De Griesbach hypothese

Deze werd zo genoemd naar de 18de eeuwse geleerde die deze hypothese stelde. De prioriteit van het evangelie van Mattheüs staat buiten kwestie, maar wel vroeg hij zich af wat de chronologische volgorde van de twee andere evangelies was.

Hij gaat ervan uit dat de schrijver van het evangelie van Lucas zich bewust was van het evangelie van Mattheüs en dat de schrijver van Marcus op de hoogte was van beide voorgaande evangelies.

Deze hypothese werd gevolgd door geleerden zoals Farmer.

De twee-bronnen hypothese

Deze is tot op heden de meest populaire hypothese om het synoptisch probleem mee op te lossen. Weisse was de eerste die in 1838 de huidige chronologische volgorde van de synoptische evangelies in vraag stelde, en tot het besluit kwam dat Marcus Mattheüs vervangt als eerste evangelie. Verder zouden Mattheüs en Lucas niet enkel gebruik gemaakt hebben van Marcus als bron, maar een bijkomende bron gebruikt hebben, die de dag vandaag wordt aangeduid als Q (de naamgeving is dubieus, men weet eigenlijk niet zozeer waar de Q vandaan komt, maar tegenwoordig wordt algemeen aangenomen dat het de afkorting is van Quelle wat in het Duits bron betekent). De klassieke uitdrukking echter komt van Holtzmann.

De vier-bronnen hypothese

Dit is een uitbreiding op de twee-bronnen hypothese die door Streeter werd ontwikkeld. In aansluiting met de twee-bronnen hypothese gebruikten de schrijvers van de evangelies van Mattheüs en Lucas zowel Marcus als de onbepaalde bron Q, maar zouden ze elk nog hun eigen bron hebben gebruikt die voor het gemak M en L werden genoemd. Dit zou de verschillen verklaren in de evangelies.

De Farrer Hypothese

Dit is een meer recente theorie die door Farrer werd ontwikkeld, ook wel bekend als de “Marcus zonder Q theorie”. Mattheus zou zijn evangelie geschreven hebben met als bron Marcus terwijl Lucas zowel Marcus als Mattheüs zou hebben gebruikt.

Er is ook de mogelijkheid dat Lucas gebruik maakte van Marcus, maar dat Mattheüs zowel gebruik maakte van Lucas als Marcus.

Mattheüs volgt de tekst van Marcus iets meer nauwgezet met 43% werkwoordelijke overeenkomsten ten opzichte van 28% bij Lucas.

Als een woord onveranderd werd opgenomen bij Mattheüs dan is het waarschijnlijker dat het ook onveranderd is gebleven bij Lucas en vice versa. Dit is voor de twee vormen van de Farrer Hypothese geen probleem, maar het is problematischer voor de twee-bronnen hypothese, waar Mattheüs en Lucas beide onafhankelijk van elkaar Marcus hebben gebruikt.16

Eindnoten

1Easton, Matthew George, Easton’s Illustrated Bible Dictionary, Thomas Nelson, 1897, http://www.biblestudytools.com/dictionaries/eastons-bible-dictionary/mark-gospel-according-to.html (toegang 04-01-2016)

2Kloppenborg, John, Gospel Parallels/Parallel Gospels, in Biblical Theology bulletin volume 44 Number 3 (2014)

3Carson, Moo, Morris, An Introduction to the New Testament, Leicester: Apollos, 1993

4Smith, Paul, Clement of Llanthony’s gospel harmony and Augustine’s De Consensu Evangelistarium, in Church History and Religious Culture 94 (2014) 175-196

5Freedman, David Noel (ed.), The Anchor bible Dictionary, New York, Doubleday, 1992

6Brown, David, The synoptic problem, in The Expository Times

7Freedman, David Noel (ed.), The Anchor bible Dictionary, New York, Doubleday, 1992

8Poirier, John C., The synoptic problem and the field of New Testament introduction, in Journal for the Study of the New Testament, Vol. 32, 2009

9Deze aannames werden overgenomen uit Carson, Moo, Morris, An introduction to the New Testament, Leicester: Apollos, 1993

10Abakuks, Andris, The synoptic problem: on Matthew’s and Luke’s use of Mark, in Journal of the Royal Statistical Society (2012) 175, Part 4

11Ik gebruik hier de indeling uit The New Interpreter’s Bible Dictionary, Nashville: Abington, 2006

12Howard, George, Hebrew Gospel of Matthew, Mercer University, 1995

13White, John, The synoptic problem, in The Irish Church Quarterly, Vol. 1, No. 3 (1908)

14Goodacre, Mark, The synoptic problem, a Way Through the Maze, London, T&T Clark International, 2001

15The New Interpreter’s Bible Dictionary, Nashville, Abington, 2006

16Abakuks, Andris, The synoptic problem: on Matthew’s and Luke’s use of Mark, in Journal of the Royal Statistical Society (2012) 175, Part 4

Commentaar op Amoris Laetitia van Paus Franciscus

Inleiding

In maart van 2016 publiceerde paus Franciscus de exhortatie Amoris Laetitia. De vreugde van de liefde, waarin hij opnieuw, zoals vele van zijn voorgangers al hadden gedaan, het kerkelijk idee over de liefde, dan vooral over seksualiteit, gezin en huwelijk, verwoordde. In dit document valt goed het eigene van paus Fraciscus op te maken, die niet voor niets de paus van de verzoening wordt genoemd. Toch gaat hij zo goed als geen enkele keer voorbij aan wat de kerk officieel al jaren leert.
Hierop heb ik een commentaar geschreven voor mijn studie in de theologie dat ik jullie niet wil onthouden.
Het document Amoris Laetitia zelf is te lezen via de site van het Vaticaan.

Vanuit de bijbel

Amoris Laetitia wilt vertrekken vanuit het woord, namelijk de bijbel. In het Genesisverhaal wordt dan ook onomwonden gesteld dat een man zich van zijn vader en moeder zal losmaken en zich zal hechten aan zijn vrouw, met wie hij één van lichaam zal worden (Gen 2,24). Dit is ook wat Jezus eruit haalt wanneer hij het goddelijke plan bespreekt: “Heb je niet gelezen dat Hij hen van het begin als man en vrouw heeft geschapen?” (Mat 19,4). Burggraeve wilt ook heel duidelijk aangeven, dat de verscheidenheid tussen man en vrouw niet meteen in Genesis wordt gemaakt. Daar wordt namelijk eerst en vooral gesteld dat God de mens heeft gemaakt (de vrouw komt dan ook voort uit de mens, en niet uit de man), vervolgens dat hij hen mannelijk en vrouwelijk heeft geschapen.1 Waarin dan weer het seksuele verschil ligt. Hierin ligt meteen ook één van de verwerpingen van de Kerk voor homoseksualiteit, omdat dit seksuele verschil in homoseksualiteit niet bestaat.

Johannes Paulus II maakte een verband tussen de familierelatie en de drie-eenheid van God. Hij stelde namelijk: “Onze God is in zijn diepste mysterie niet eenzaam, maar een familie, want hij verenigt in hemzelf vaderschap, zoonschap en de essentie van de familie, die liefde is. Deze liefde, in de goddelijke familie, is de Heilige Geest.”

Daarom is het worden van één vlees dat het resultaat is van de ontmoeting tussen man en vrouw ook verbonden in de procreatie: het resulteert uiteindelijk in een kind. Ook dit wordt in het Genesisverhaal duidelijk gemaakt wanneer God de mens opdraagt om zich te vermenigvuldigen (Gen 1,28). Het is dan ook interessant op te merken dat het woord dat na de naam van God het meest voorkomt in het Oude Testament, kind is.
Dat zijn redenen waarom de Kerk altijd heel erg gehamerd heeft op de procreatie binnen het huwelijk. Lange tijd is seks enkel vanuit die optiek bezien. Door de vooruitgang op het gebied van anticonceptieve middelen, waarvan door de Kerk enkel de natuurlijke geoorloofd worden bezien2, is dit idee meer en meer naar de achtergrond verschoven. Nu kunnen we namelijk plannen wanneer we kinderen zullen krijgen.

Ook het klassieke rollenpatroon van de man en vrouw wordt al in het Genesisverhaal duidelijk naar voren gebracht; bij de zondeval stelt God namelijk dat de begeerte van de vrouw zal uitgaan naar de man, en dat de man over haar zal heersen (Gen 3,16)… Verder wordt verteld dat door de zonde de aarde vervloekt zal zijn en dat de man dus in het zweet des aanschijns het land zal moeten bewerken.

In psalmen 128 wordt dan ook duidelijk getoond hoe de man voor zijn familie met zijn handen werkt (b.v. ps 128,2). Paulus in het Nieuwe Testament is zelfs nog radicaler, en stelt dat “wie niet wil werken niet moet eten” (2 Thes 3,10).

Kinderen op hun beurt moeten dan weer hun ouders eren.

Amoris Laetitia in de lijn van de traditie

Erg vernieuwend is Amoris Laetitia eigenlijk niet. Paus Franciscus gaat op dezelfde lijn verder als zijn voorgangers Paus Benedictus XVI en Paus Johannes Paulus II en nog verder terug zelfs zoals het in de documenten van Vaticanum II wordt beschreven.

Wel is Paus Franciscus een stuk milder in zijn bewoordingen dan b.v. Paus Benedictus XVI, die nog niet zo heel lang geleden ophef veroorzaakte door te stellen dat ze [homoseksuelen] de “essentie van het menselijk wezen vernietigen”3.

Binnen de Kerk wordt homoseksualiteit gezien als intrinsiek ongeordend. Ook daar stapt Paus Franciscus niet van af, wanneer hij expliciet stelt dat moet blijven “opgemerkt dat homoseksuele relaties absoluut geen grond hebben om gelijkaardig te zijn aan Gods plan voor huwelijk en familie.” Toch volgt hij in hoe mensen onafhankelijk van hun seksuele oriëntatie moeten behandeld worden, b.v. ook de bedenkingen van Cornu, of zoals Bonny het stelde in zijn synode van het gezin wat uitzonderlijke situaties betreft, want zo zegt Paus Franciscus in AmorisLaetitia: “Onafhankelijk van iemands seksuele oriëntatie dient hij gerespecteerd te worden in zijn of haar waardigheid en met consideratie behandeld te worden. Elk teken van onrechtvaardige discriminatie moet vermeden worden.”
Dit lijkt mij vrij moeilijk als je de anders geaardheid van een persoon niet wilt erkennen. Snel dreig je om beledigend of zelfs paternaliserend over te komen. Toch valt ook vanuit de bijbel veel te zeggen tegen het homohuwelijk. Maar zoals Cornu al stelde in zijn hoofdstuk over de homoseksuele relatiebeleving, moeten we opletten dat we niet al te letterlijk de bijbel als een onfeilbare waarheid gaan bezien die geen interpretatie anders dan de onze toelaat. Een goed voorbeeld hiervan is hoe iemand als John McNeill het goddelijke plan hieromtrent invult4.

Een huwelijk is dus sowieso bestemd voor een man èn een vrouw, en dan vooral met de blik vooruit op het hebben van kinderen.

Procreatie heeft binnen de Katholieke Kerk altijd een belangrijke rol gespeeld, daarom citeert Paus Franciscus ook in Amoris Laetitia, Johannes Paulus II in Familiaris Consortio: “Het koppel, in het geven van zichzelf aan elkaar, geven niet alleen zichzelf maar ook de realiteit van kinderen, die levende reflecties van hun liefde zijn een permanent teken van hun conjugale eenheid en een levende en onafscheidbare synthese van hen zijnde vader en moeder”.

Paus Franciscus lijkt dan ook niet gemakkelijk af te wijken van de traditionele rollen in het gezin. De vader en moeder hebben beiden een functie te vervullen bij het opvoeden van het kind; de moeder waakt over haar kinderen “met tederheid en medelijden” en “helpt hem of haar te groeien in zelfvertrouwen en te ervaren dat de wereld een goede en welkome plaats is”, terwijl de vader “het kind helpt de begrenzingen van het leven in te zien, open te staan voor de uitdagingen van de bredere wereld, en de nood te zien van hard werk”.

Uit onderzoek blijkt trouwens dat kinderen zeker nood hebben aan beide ouders. Zo hebben kinderen van gescheiden ouders vaker te kampen met verlatingsangst en later in hun leven met bindingsangst. Het zijn ook deze kinderen die het meest argwanend staan tegenover langdurige relaties. Verder stelt b.v. Cornu dat kinderen vaak op zoek gaan naar hun oorsprong, daarom dat in verschillende landen, waaronder Nederland, anoniem spermadonorschap in vraag wordt gesteld.

Toch wordt ook de hoop die Bonny in zijn “Synode van het Gezin” naar voren brengt om aandacht te besteden aan de normale, maar ook aan de complexere situaties in onze maatschappij, bewerkstelligd. Paus Franciscus erkent deze moeilijke situaties; ook binnen het christendom wordt er steeds vaker gescheiden, en zoals Burggraeve en Sander naar voren brengen zijn de meeste huwelijken tegenwoordig tweede of zelfs derde huwelijken. Toch lijkt Paus Franciscus een voorkeur te hebben voor de gescheiden ouder die niet hertrouwt, en dus als alleenstaande ouder door het leven gaat. Volgens hem moeten zij dan ook speciale aanmoediging vanuit de christelijke gemeente en de families in deze gemeentes krijgen. Ook dit is niet zo vreemd als je bedenkt dat de communie geweigerd wordt aan mensen die gescheiden zijn en die hertrouwen.

Ook interessant is dat Paus Franciscus even aandacht besteedt aan de nietigverklaring van een huwelijk die volgens hem toegankelijker, sneller en indien mogelijk gratis moet worden.

Conclusie

Paus Franciscus wijkt in feite niet af van de gedachtes die al heel lang binnen de Katholieke Kerk spelen. Het verschil met zijn voorganger lijkt mij vooral zijn mildere toon en begrip voor anderen. Niet voor niets wordt Paus Franciscus gezien als de Paus van de verzoening. Paus Franciscus lijkt begrip te kunnen opbrengen voor de problemen van deze tijd. Hij heeft aandacht voor de ongehuwd samenlevenden of de enkel burgerlijk gehuwden, die na de doop zeker niet opnieuw hoeven te huwen omdat hun relatie al door hun doop verzegeld wordt. Ook homoseksuelen moeten met consideratie behandeld worden, al blijft er dan geen plaats voor een homorelatie binnen de Kerk. Ook euthanasie en abortus blijven taboes onder de uitspraak dat men altijd voor het leven moet kiezen.

Ook kinderloze echtparen worden niet aan hun lot overgelaten. Dankzij de vele mogelijkheden binnen de gemeenschap kunnen zij toch een gevoel van waarde kennen.

Ook adoptie lijkt voor Paus Franciscus een nobele keuze, omdat men de liefde van een gezin geeft aan iemand die die liefde moet ontberen.

Ik zie dan ook, ondanks het geloof van Franciscus dat bepaalde taboes die door de Kerk (en de bijbel) worden opgeworpen en niettemin toch veroordeeld worden, dat hij begrip opbrengt voor mensen in deze situaties. Ik denk dan ook dat Bonny met deze exhortatie tevreden mag zijn, beter wordt het waarschijnlijk niet.

Volgens mij moet het ook niet aan de Kerk zijn om de taboes die ze al heel lang in zich draagt (homoseksualiteit, abortus, samenwonen, euthanasie…) teniet te doen onder het mom van verdraagzaamheid en meegaan met de tijd. De kerk moet Jezus blijven vooropstellen.

1BURGGRAEVE, Roger, Als man en vrouw naar Gods beeld geschapen, Cursusnota’s 2007-2008

2Zoals de kalendermethode, de ovulatiemethode en de temperatuurmethode

4Hij ziet de homoseksuele mens als een deel van Gods plan.

 

Vrij-zijn weekend België 10 en 11 juni

vrijzijn

Sinds ik twee jaar geleden met een vriendin naar een vrij-zijn conferentie ben gegaan blijf ik mij er op verheugen en keer ik telkens opgebouwd terug naar huis.

Blijkbaar bestaan er al zo’n tien jaar vrj-zijn conferenties in België. Maar nu wil men de dingen toch iets anders gaan aanpakken. Terwijl de conferenties tot nog toe zijn georganiseerd uit Nederland, is er nu een Belgische groep opgestart die vervolgens de conferenties zal organiseren. Ik hoop in ieder geval dat dit niet zal verhinderen dat de Nederlandse sprekers uitgenodigd zullen worden, want ze horen tot de beste sprekers die ik ooit heb gehoord: Wilkin Van De Kamp, Martin Koornstra, Jan Pool en Willem Ouweneel… Ook naar Gerdien Lammers die de stukken aaneen spreekt luister ik graag. En dan de zang. Ik weet niet hoe ze heet, waar ze vandaan komt, maar die vrouw heeft echt een engelenstem. Vorig jaar was ze er niet bij omdat ze zwanger was, en ik kan je zeggen dat ik haar echt heb gemist. Dus als je dit leest, daarom zat ik soms zo naar je te staren, hopelijk vond je het niet al te vreselijk.

Wilkin ging nog veel verder in zijn preek die ik volmondig beaam. Nog nooit heeft iemand zo mooi verwoord wat ik denk, en wat de belangrijkste reden is waarom ik geen Jehovah’s Getuige meer kan zijn. Wij bezitten namelijk niet de waarheid, Jezus is “de waarheid”. Daarom moeten we ook een brug tussen de verschillende denominaties slaan. Wilkin illustreerde dit prachtig door ons allemaal naar voren te roepen en ons in onze hokjes te verdelen. Eerst de evangelischen en de pinkstergemeenteleden, alletwee aan een hoek bij het podium, met de uitnodiging om elkaar te omhelzen, want uiteindelijk zijn we allemaal broeders en allemaal leden van hetzelfde lichaam. Niet die verdeeldheid- en haatzaaiende preken die ik zo vaak heb moeten aanhoren over hoe goed wij wel zijn en hoe slecht de rest. We zijn allemaal één. Jezus stelde niet dat je zijn discipelen zou herkennen aan dat ze de bijbel moeiteloos juist hadden, maar dat ze liefde onder elkaar hadden.

Juist voor de pauze moedigde ook Gerdien Lammers ons aan om elkaar tijdens de pauze te ontmoeten, naar een wildvreemde toe te gaan en een gesprek aan te knopen, vrienden te maken. U begrijpt ongetwijfeld dat met mijn problematiek dat geen eenvoudige opgave is. Toch deden mensen moeite om even met me te spreken; ik wilde dat zo graag en was er tegelijk zo bang voor. Ook tijdens de avondpauze leken we wel vrienden als we in de frituur naast elkaar zaten. Om eerlijk te zijn heb ik dat op een congres van Jehovah’s Getuigen altijd gemist. Ik voelde me er namelijk verdomd eenzaam, want zelfs mensen uit mijn eigen gemeente hadden geen tijd om met mij te praten, precies omdat ze eerder mensen wilden ontmoeten die ze uitsluitend op het congres zagen.

Gerdien gaf ook de illustratie dat haar man (ongetwijfeld nog een jonge man) hartproblemen heeft gehad, dat ze zelfs omleidingen hadden gestoken (hoe heet je zo’n dingen?) en dat hij een pacemaker moest laten steken, maar dan tijdens een conferentie zo beroerd werd dat hij hiervan genezen werd, op nieuwe echografieën was niets meer te zien van de hartkwaal.

Willem Ouweneel kreeg de eer de laatste preek uit te spreken waarom God niet iedereen geneest. In het najaar komt er hierover een boek uit van Wilkin. Een vraag die mij ook bezighoudt, want ik weet niet wat ik van gebedsgenezingen moet vinden. Er kwam uiteindelijk een analyse van het boek Job, die vrijwel overeenstemde met wat ik al over het boek weet en heb geleerd. Het is namelijk moeilijk een eenduidig antwoord te geven. In het boek Job is het namelijk niet de Satan die stelt om naar Job te kijken, maar God. Uiteindelijk heeft God aan in zijn twee toespraken in het boek Job dat dit ons begrip nu nog te boven gaat. Gelukkig kunnen we allemaal uitzien naar een gezond en gelukkig leven in de nieuwe wereld.

Ik zou in ieder geval iedereen aanmoedigen zich even tot een vrij-zijn conferentie te wenden. Als je Jehovah’s Getuige bent, of bent geweest weet ik dat dit heel moeilijk voor je is. Je hebt namelijk geleerd dat predikers in de reguliere kerken het uitsluitend voor het geld doen, leugens vertellen of zich boven de rest willen verheffen. Maar laat je niet misleiden door wat je is geleerd, ga zelf eens kijken of dit werkelijk zo is. Daarna kun je nog altijd die mening zijn toegedaan, maar dan komt die mening vanuit jezelf.

Als nota wil ik nog even benadrukken dat Martin even gewag maakte over zijn boeken (zij hadden een standje op de conferentie) en dat hij eventueel voor mensen die niet de financiële mogelijkheid hadden, toch een boek van hem konden bemachtigen. Die moesten maar even naar de tafel gaan om met hem te spreken, om te zien wat hij kon doen.